• VOORWOORD VAN IMAM AN-NAWAWI

    Voorwoord van Imam an-Nawawi

    Alle lofzij Allah, de Heer der werelden, de Beschermer der hemelen en aarde, de Bestuurder van alle schepselen, de Zender van de Boodschappers – vrede en zegeningen zij met hen – naar de mensen die opgedragen zijn Allah te aanbidden, dit opdat zij leiding zullen vinden en inzicht mogen krijgen in de Wetten van het geloof met overweldigende bewijzen en heldere argumenten. Ik prijs Hem voor Zijn Gunsten en ik vraag vermeerdering van Zijn Gunst en Edelmoedigheid.

    En ik getuig dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah, de Ene, de Onovertreffelijke, de Edelmoedige, de Meest Vergevende. En ik getuig dat onze meester Mohammed Zijn dienaar en Boodschapper is, Zijn geliefde en boezemvriend. De beste schepsel die geëerd is met de Edele Koran: het voortdurende wonder en met de Soennah die als verlichting dient voor de rechtgeaarde mensen. Degene die begiftigd was met de meest voortreffelijke en krachtige spraak en zijn verdraagzaamheid in het geloof. Zegeningen van Allah en Zijn vrede zij met hem en met alle overige Profeten en Boodschappers.

    Vervolgens:

    Het is aan ons overgeleverd door Ali Ibn Abi Taalib, Abdullah ibnoe Masoed, Moeaadh ibnoe Djabal, Aboe Dardaa’, Ibnoe Omar, Ibnoe Abbaas, Anas ibnoe Maalik, Aboe Hoerayrah en Aboe Saied al-Khoedri via verschillende wegen en diverse versies dat de Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – zei: “Wie aan mijn gemeenschap veertig overleveringen overdraagt over zaken van hun godsdienst, Allah zal hem op de Dag der Opstanding voortbrengen in een gezelschap van rechtsgeleerden en theologen.”

    In een andere overlevering:
    “Allah zal hem als een rechtsgeleerde en theoloog voortbrengen.”

    In de overlevering van Aboe Dardaa’ :
    “En op de Dag der Opstanding zal Ik een bemiddelaar en getuige voor hem zijn.”

    In de overlevering van Ibnoe Masoed :
    “Er zal tegen hem gezegd worden: ,,Treed binnen door welke Poort van het Paradijs jij wenst.”

    In de overlevering van Ibnoe Omar :
    “Hij wordt vermeld in het gezelschap van theologen en zal verzameld worden in het gezelschap van de martelaren.”

    Desalniettemin zijn de hadithgeleerden het erover eens dat het hier gaat om een zwakke overlevering, ondanks de vele overleveringsketens.

    De geleerden hebben wat dit betreft (het samenstellen van verzamelwerken van veertig overleveringen) talloze werken samengesteld. En de eerste, voor zover ik weet, die dit heeft gedaan is Abdullah ibnoe Moebaarak, vervolgens Mohammed ibnoe Aslam at-Toesi, de geleerde, degene die toegewijd was aan zijn Heer, vervolgens Al-Hasan ibnoe Soefyaan an-Nasaa’i, Aboe Bakr al-Aadjoeri, Aboe Bakr Mohammed ibnoe Ibraahiem al-Asfahaani, ad-Daraqoetni, al-Haakim, Aboe Noeaym, Aboe Abdir-Rahmaan as-Soelami, Aboe Saied al-Maalieni, Aboe Oethmaan as-Saaboeni, Abdullah ibnoe Mohammed al-Ansaari, Aboe Bakr al-Bayhaqi en talloze anderen, zowel in het verleden als in het heden.

    Ik heb Allah, de Verhevene, om leiding gevraagd bij het verzamelen van veertig overleveringen in navolging van deze weledele imams en hoeders van de Islam. En de geleerden zijn het erover eens dat het toegestaan is te handelen naar een zwakke overlevering wanneer het gaat om deugdzame daden. Desondanks heb ik mij niet gebaseerd op deze overlevering, daarentegen ben ik uitgegaan van de volgende uitspraken van de Profeet vrede zij met hem die authentiek zijn: “Laat degene onder jullie die aanwezig was de afwezige informeren.”

    En: “Moge Allah degene verlichten, die gehoord heeft wat ik heb gezegd, dit ter harte nam en vervolgens doorgeeft zoals hij het hoorde.”

    Er zijn geleerden geweest die veertig overleveringen hebben verzameld inzake de grondslagen van het geloof, anderen weer inzake afgeleide zaken, anderen weer inzake de Djihaad, en weer anderen inzake ascetisme, de gedragsnormen en preken. En dit zijn allen prijzenswaardige streven. Moge Allah, de Verhevene, tevreden zijn met hen die dit streven hadden.

    Ik heb ervoor gekozen deze veertig overleveringen te verzamelen die mijns inziens belangrijker zijn dan al het voorgaande. Deze veertig overleveringen omvatten al deze zaken en elke overlevering van deze verzameling staat voor één van de Islamitische basisregels en is door de geleerden beschreven als zijnde de spil van de Islam, de helft van de Islam of eenderde van de Islam enz.

    Vervolgens heb ik mijn best gedaan om ervoor te zorgen dat deze veertig overleveringen authentiek zijn en de meerderheid van de overleveringen is dan ook afkomstig uit de authentieke verzamelwerken van al-Boekhaari en Moeslim. Ik zal de overleveringen noemen zonder overleveringsketen om zodoende het memoriseren ervan te vergemakkelijken en om ze in meer algemene zin van nut te laten zijn, als Allah, de Verhevene, het wil.

    En eenieder die verlangt naar het Hiernamaals dient deze overleveringen te kennen, vanwege de gewichtige zaken die zij bevatten, alsmede de aanwijzingen die daarin gegeven worden over alle daden van gehoorzaamheid. En dit is voor eenieder die hierover nadenkt overduidelijk.

    En in Allah stel ik mijn vertrouwen, van Hem ben ik afhankelijk en aan Hem vetrouw ik me toe. Aan hem behoort alle lof, van Hem zijn de gunsten afkomstig en van Hem komt de succes en bescherming.  

    SCROLL_TEXT
  • DE DADEN WORDEN BEOORDEELD OP BASIS VAN DE INTENTIE

    De leider der gelovigen, Aboe Hafs, Omar ibnoel-Khattaab overlevert: “Ik hoorde de Boodschapper van Allah zeggen:

    “Voorwaar, de daden worden beoordeeld op basis van de intentie en iedere mens zal alleen dat krijgen wat met zijn intentie samenhangt. Dus als iemand emigreert omwille van Allah en Zijn Boodschapper, dan is dat een (ware) emigratie omwille van Allah en Zijn Boodschapper . En als iemand emigreert omwille van een wereldse zaak of om een vrouw te huwen, dan is zijn emigratie omwille van datgene waarvoor hij is geëmigreerd.”

    (Overgeleverd door de twee meest weledele hadithgeleerden, Imam al-Boekhaari en Imam Moeslim, in hun twee authentieke hadithboeken, die de meest authentieke hadithboeken zijn die ooit zijn opgesteld)

    Uitleg

    Deze overlevering is van groot belang als het gaat om de daden van het hart aangezien de intentie tot dit soort daden behoort. De geleerden zeggen over deze overlevering dat het de helft van de aanbidding is. Het is de maatstaf voor de innerlijke daden. En de volgende overlevering van Aa’ishah wordt beschouwd als de andere helft van de aanbidding. Zij overlevert namelijk dat de Profeet zei: “Wie een daad verricht die niet in overeenstemming is met onze zaak, het zal van hem niet geaccepteerd worden.”

    (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

    Deze overlevering is de maatstaf voor de uiterlijke daden. Wij kunnen uit deze uitspraak van de Profeet opmaken dat elke daad vooraf wordt gegaan door een bepaalde intentie. Dit omdat elke weldenkende mens geen daad kan verrichten zonder intentie. Sommige geleerden zeiden zelfs dat als Allah ons verplicht zou hebben om een daad te verrichten zonder intentie, dit ons vermogen te boven zou gaan.

    De bovengenoemde overlevering van Omar kan dienen als antwoord op de uitspraken van degenen die beweren dat zij een bepaalde daad herhaaldelijk verrichten, omdat shaytaan hen constant influistert dat zij deze daad zonder intentie hebben verricht. Wij kunnen tegen deze mensen zeggen dat het niet mogelijk is om een daad zonder intentie te verrichten. Maakt het dus gemakkelijk voor jullie zelf en schenkt geen aandacht aan deze influisteringen.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Men wordt afgerekend op zijn intentie.

    · Een leraar dient duidelijke voorbeelden te geven om daarmee de zaken te verduidelijken. Zo heeft de Profeet emigratie als voorbeeld genomen. De intentie achter deze daad kan van persoon tot persoon verschillen. Voor de één kan het beloond worden en voor een ander zal de beloning uitblijven.

    · Deze overlevering is van toepassing op verschillende hoofdstukken van fiqh (jurisprudentie), waaronder daden van aanbidding, onderlinge omgang (van mensen), huwelijken enz.

    SCROLL_TEXT
  • DE CATEGORIEËN VAN HET GELOOF

    Verder verhaalt Omar :

    “Toen wij op een dag bij de Boodschapper van Allah zaten, verscheen er een man voor ons met melkwitte kleding, en gitzwart haar. Er was geen teken van reizen aan hem af te zien en niemand van ons kende hem. Hij ging voor de Profeet zitten, plaatste zijn knieën tegen zijn knieën, legde zijn handen op zijn dijen en zei: ,,O Mohammed, licht mij in over (de betekenis van) de Islam?” De Profeet antwoordde: ,,De Islam houdt in dat je getuigt dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah en dat Mohammed de Boodschapper is van Allah, (en) dat je het gebed onderhoudt, (en) dat je de zakaah (armenbelasting) uitgeeft en dat je (tijdens de maand) Ramadan vast en de haddj (bedevaart) naar het Huis (de Kabah in Mekka) verricht, indien je daartoe in staat bent.” Hierop zei hij: ,,Je hebt juist gesproken.” Wij waren verbaasd dat hij hem (eerst iets) vroeg en (daarna zijn antwoord) goedkeurde.

    Daarna vroeg hij: ,,Bericht mij over (de betekenis van) de Imaan?” Hij (de Profeet ) antwoordde: ,,Dat je gelooft in Allah, Zijn Engelen, Zijn Boeken, Zijn Boodschappers, de Laatste Dag en dat je gelooft in de Voorbeschikking, zowel het goede ervan als het slechte.” Hij zei: “Je hebt juist gesproken.”

    Hij vroeg (vervolgens): ,,Bericht mij over (de betekenis van) de Ihsaan?” Hij antwoordde: ,,Dat je Allah aanbidt alsof je Hem ziet en als je Hem niet ziet, dan ziet Hij jou wel.”

    Hij (de man) vroeg: ,,Bericht mij over het (Laatste) Uur?’ (De Profeet ) antwoordde: ,,Daarover heeft de ondervraagde niet meer kennis dan de ondervrager.” Toen vroeg hij: ,,Vertel mij (dan) over haar tekenen?” Hij antwoordde: ,,Dat de slavin haar meesteres zal baren en dat je ziet dat blootsvoetse, naakte en behoeftige schapenhoeders wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen.”

    Hierna ging hij (de man) weg en ik (Omar) bleef enige tijd zitten. Toen vroeg hij (de Profeet ): ,,O Omar, weet jij wie die ondervrager was?” Ik antwoordde: ,,Allah en Zijn Boodschapper weten het het best.” Hij zei: ,,Dat was Djibriel, hij kwam om jullie (over) je geloof te leren.”

    (Overgeleverd door Moeslim)

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Het was de gewoonte van de Profeet om met zijn metgezellen te zitten. Deze gewoonte toont ons het goede en nobele karakter van de Profeet .

    · Men dient de gezelschap van andere mensen op te zoeken, samen met hen te zitten en zich niet van hen af te zonderen.

    · Het zich begeven onder de mensen is beter dan het zich van hen afzonderen, zolang men niet voor zijn geloof vreest. Als dit wel het geval is, dan is afzondering beter. Dit is gebaseerd op de volgende uitspraak van de Profeet : “Er staat een tijd aan te komen waarin het beste bezit van een (moslim)man schapen en geiten zullen zijn, waarmee hij zich terugtrekt naar bergtoppen en regenachtige plekken.” (al-Boekhaari)

    · Het is mogelijk voor de Engelen om in een menselijke gedaante te verschijnen, want Djibriel verscheen voor de metgezellen in de gedaante van een man met gitzwart haar en melkwitte kleren. Aan hem was geen teken van reizen af te zien en hij was bij geen van de metgezellen bekend.

    · Het goede gedrag dat een leerling dient te vertonen tegenover zijn onderwijzer. Djibriel zat voor de Profeet in de hierboven beschreven houding die wijst op correctheid, aandacht en acceptatie voor wat er verteld wordt. Hij plaatste zijn knieën tegen de knieën van de Profeet en legde zijn handen op zijn dijen.

    · Het geoorloofd zijn de Profeet bij zijn naam te noemen, omdat Djibriel hem met ‘O Mohammed!’ aansprak. Hieruit valt op te maken dat het bezoek van Djibriel waarschijnlijk plaats heeft gevonden voor het verbod van Allah op het aanspreken van de Profeet bij zijn naam:

    “Maakt de (manier van) aanspreken van de Boodschapper onder jullie niet zoals (de manier waarop) jullie elkaar onderling aanspreken.” (Soerat an-Noer: 63)

    Maar waarschijnlijk was het normaal bij de bedoeïen dat als zij bij de Profeet kwamen, zij hem bij zijn naam noemden.

    · Het geoorloofd zijn van het stellen van een vraag over iets wat je al weet, om anderen hiermee iets te leren wat zij nog niet wisten. Djibriel wist immers het antwoord al, dit blijkt uit de woorden ‘Je hebt juist gesproken’.

    · Degene die aanleiding is (voor een daad), komt hetzelfde oordeel toe als degene die de daad verricht. Dit omdat de Profeet zei: “Dat is Djibriel, hij kwam om jullie (over) jullie geloof te leren.” Ook al was de Profeet zelf de onderwijzer, maar omdat Djibriel de aanleiding was, heeft de Profeet hem als onderwijzer aangemerkt.

    · Het bewijs dat de Islam vijf zuilen kent, want de Profeet zei: “De Islam houdt in dat je getuigt dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah en dat Mohammed de Boodschapper is van Allah, (en) dat je het gebed onderhoudt, (en) dat je de zakaah (armenbelasting) uitgeeft en dat je (tijdens de maand) Ramadan vast en de Haddj (bedevaart) naar het Huis (de Kabah in Mekka) verricht, indien je daartoe in staat bent.”

    · De noodzaak de getuigenis uit te spreken met de tong terwijl het hart tevens volledig overtuigd is dat niets of niemand het recht heeft op aanbidding, behalve Allah. Dus ook geen profeten, vrome mensen, bomen, stenen of welk schepsel dan ook. Alles wat buiten Allah aanbeden wordt, is vals. Allah zegt:

    “Dat is omdat Allah de Waarheid is en omdat datgene wat zij buiten Allah aanroepen vals is en omdat Allah de Verhevene, de Grootste is.” (Soerat al-Haddj: 62)

    Het geloof is niet compleet, tenzij men daarnaast getuigt dat Mohammed de Boodschapper is van Allah. Zijn gehele naam is Mohammed ibnoe Abdoellah al-Qoerayshi al-Haashimi. Wie meer wil weten over deze edele Boodschapper moet de Koran, de Soennah van de Profeet en de geschiedenisboeken lezen.

    · De Boodschapper van Allah heeft de getuigenis dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden en dat Mohammed de Boodschapper is van Allah samengevoegd in één zuil. Dit omdat de aanbidding niet geaccepteerd wordt, tenzij er aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:

    – Ikhlaas(zuivere toewijding aan Allah)

    Dit is wat het eerste deel van de getuigenis inhoudt.

    – Moetaabaah (het volgen van de Profeet )

    Dit is wat het tweede deel van de getuigenis (Mohammed is de Boodschapper van Allah) inhoudt.

    · Iemands geloof wordt pas compleet als men het gebed onderhoudt. Met het onderhouden van het gebed wordt bedoeld dat men dit zorgvuldig verricht zoals in de Sharieah (Islamitische wetgeving) wordt voorgeschreven. Wij onderscheiden twee vormen van onderhouden van het gebed, namelijk:

    – Verplicht onderhoud

    Dit houdt in dat men voldoet aan de minimale vereisten van het gebed.

    – Volledig onderhoud

    Dit houdt in dat men de zaken die het gebed volledig maken, nakomt, zoals in de Koran, de Soennah van de Profeet en de uitspraken van de geleerden is aangegeven.

    · Iemands geloof is niet compleet, behalve als men de zakaah (armenbelasting) uitgeeft. De zakaah is de verplichte belasting die over de reine bezittingen wordt betaald aan degenen die daarvoor in aanmerking komen. Allah zegt:

    “Voorwaar, de zakaah is slechts voor de armen en de behoeftigen en de werkenden (die dat inzamelen) en de Moe’allafati Qoeloebihim[1] en voor (het vrijkopen) van de slaven, en de schuldenaren en om (uit te geven) op de Weg van Allah en voor de reiziger (zonder proviand).”

    (Soerat at-Tawbah: 60)

    · Het vasten tijdens de maand Ramadan is een vorm van aanbidding van Allah waarin men zich van zonsopgang tot zonsondergang onthoudt van zaken die het vasten verbreken. Ramadan wordt voorafgegaan door de maand Shacbaan en opgevolgd door Shawwaal.

    · Onder de haddj verstaan we de bedevaart naar Mekka voor het verrichten van religieuze riten. De bedevaart is slechts verplicht voor hen die hiertoe in staat zijn, zoals ook het geval is met alle overige daden van aanbidding. Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

    “Vreest Allah, voor zover jullie hiertoe in staat zijn.” (Soerat at-Taghaaboen: 16)

    Een basisregel waar de Islamitische geleerden het over eens zijn, luidt: er is geen verplichting in het geval van onvermogen en geen verbod in geval van noodzaak.

    · De Engel Djibriel bevestigde dat de Boodschapper Mohammed de waarheid sprak. De Profeet is immers de meest waarheidsgetrouwe onder alle schepsels.

    · De scherpzinnigheid en oplettendheid van de metgezellen doordat zij verbaasd opkeken toen de steller van de vraag zelf het antwoord bevestigde. Terwijl in principe iemand die vragen stelt geen weet heeft van de antwoorden. Deze verbazing bij de metgezellen verdween echter toen de Profeet zei: “Dat is Djibriel, hij kwam jullie (over) je geloof leren.”

    · Imaan (het geloof) omvat de volgende zes zaken:

    – Het geloven in Allah

    – Het geloven in Zijn Engelen

    – Het geloven in Zijn Boeken

    – Het geloven in Zijn Boodschappers

    – Het geloven in de Laatste Dag en

    – Het geloven in de Voorbeschikking, zowel het goede als het slechte daarvan.

    · Het onderscheid tussen Islam en Imaan. Dit geldt alleen als beide termen in één zin worden genoemd. Islam wordt dan uitgelegd als zijnde de (uiterlijke) daden van de ledematen en Imaan als zijnde de (innerlijke) daden van het hart. Als één van deze twee echter afzonderlijk genoemd wordt, dan worden zij beiden bedoeld. Zo wordt met het woord Islam in de volgende verzen zowel Islam als Imaan bedoeld.

    “En Ik ben tevreden met de Islam als godsdienst voor jullie.” (Soerat al-Maa’idah: 3)

    “En wie een andere godsdienst verlangt dan de Islam; het zal van hem nooit geaccepteerd worden en hij behoort in het Hiernamaals tot de verliezers.” (Soerat Aali Imraan: 85)

    · Het geloven in Allah is de voornaamste zuil van Imaan, vandaar dat de Profeet hiermee begon toen hij zei: “Dat je gelooft in Allah.” Het geloven in Allah omvat het geloven in Zijn bestaan, Heerschappij, Alleenrecht op aanbidding en Namen en Eigenschappen. Met het geloven in Allah wordt niet slechts het geloven in Zijn bestaan bedoeld. Men dient daarentegen in alle vier hiervoor genoemde zaken te geloven.

    · Het bevestigen van het bestaan van de Engelen. Engelen behoren tot de ongeziene wereld. Allah heeft ze op vele wijzen beschreven in de Koran en ook heeft de Profeet hen in de Soennah beschreven. Het geloven in de Engelen houdt in dat wij geloven in de Engelen wiens namen bekend zijn gemaakt, maar ook in de Engelen wiens namen niet bekend zijn.

    Wij dienen te geloven in hun taken en beschrijvingen zoals deze vermeld staan in de Koran en de Soennah. Zo zegt de Profeet Djibriel te hebben gezien met zeshonderd vleugels waarmee hij de gehele horizon opvulde. Tevens zijn wij verplicht in de Engelen te geloven en van hen te houden, omdat zij dienaren van Allah zijn die Zijn bevelen opvolgen. Allah zegt:

    “En degenen (de Engelen) die bij Hem zijn, zijn niet hoogmoedig om Hem te dienen en zij worden er niet moe van. Zij prijzen Zijn Glorie tijdens de nacht en de dag, zij versagen niet.”

    (Soerat al-Anbiyaa’: 19-20)

    · De verplichting om in de Boeken die Allah naar Zijn Boodschappers heeft gezonden te geloven. Allah zegt:

    “Voorzeker, Wij hebben Onze Boodschappers met de duidelijke bewijzen gezonden en Wij hebben met hen het Boek en de weegschaal (wetgeving) nedergezonden.” (Soerat al-Hadied: 25)

    Wij dienen dus te geloven in alle Boeken die Allah naar Zijn Boodschappers heeft gezonden en te bevestigen dat het hier in zijn algemeenheid de waarheid betreft. Zodra we echter in bijzonderheden treden, dan moeten wij concluderen dat de voorgaande Boeken onderhevig geweest zijn aan vervalsingen en wijzigingen, waardoor het onmogelijk is om onderscheid te maken tussen wat waar en wat vals is.

    Dit wat betreft het geloven in de Boeken. Wij handelen daarentegen uitsluitend volgens hetgeen is gezonden naar de Profeet Mohammed . De andere Boeken zijn met de komst van de Sharieah afgeschaft.

    · De verplichting om in de Boodschappers te geloven. Wij geloven dat elke Boodschapper die Allah gezonden heeft de waarheid is, met de waarheid is gekomen, waarachtig is in zijn berichtgevingen en betrouwbaar is in zijn bevelen. Wij geloven in het algemeen in alle Profeten, zij die niet bij naam zijn genoemd en zij die wel bij naam zijn genoemd. Allah zegt:

    “En waarlijk, Wij hebben vóór jou Boodschappers gezonden. Over sommigen van hen hebben Wij jou verteld en over sommigen hebben Wij jou niet verteld.”
    (Soerat Ghaafir: 78)

    De eerste Boodschapper was Noeh (Noach) en de laatste Mohammed . Vijf van hen behoren tot de Oel ul-Azm (bezitters van standvastigheid). Zij worden alle vijf door Allah in twee verzen in Zijn Boek aangehaald:

    “En toen Wij met de Profeten hun verbond aangingen en met jou (O Mohammed), en met Noeh en Ibraahiem en Moesa en Iesaa, de zoon van Maryam.” (Soerat al-Ahzaab: 7)

    En Hij zegt ook (wat vertaald kan worden met):

    “Hij heeft jullie de godsdienst voorgeschreven: wat Hij ervan opgedragen heeft aan Noeh, en hetgeen Wij aan jou geopenbaard hebben en wat Wij ervan aan Ibraahiem en Moesaa en Iesaa hebben opgedragen: dat jullie de godsdienst onderhouden en dat jullie daarover niet verdeeld raken.” (Soerat ash-Shoeraa: 13)

    · Het geloven in de Laatste Dag: ook wel de Dag der Opstanding. Het wordt de Laatste Dag genoemd omdat het de eindbestemming is van de mensen. Zo kent iedere persoon de volgende vier verblijfplaatsen:

    1. De schoot van zijn moeder

    2. Dit wereldse leven

    3. al-Barzagh (de tijd tussen het sterven en het opnieuw opgewekt worden)

    4. De Laatste Dag

    Hierna is er geen andere bestemming dan het Paradijs of het Vuur.

    Het geloven in de Laatste Dag omvat volgens Shaykh ul-Islaam Ibn Taymiyyah: “Alles waarover de Profeet ons heeft bericht inzake wat er na de dood plaats zal vinden. Hieronder valt de ondervraging in het graf over jouw Heer, godsdienst en Profeet, maar ook wat er zich in het graf bevindt aan verrukkingen of bestraffingen.”

    · De verplichting om in de Qadar (Voorbeschikking) te geloven, zowel het goede als het slechte daarvan. Dit omvat vier zaken:

    1. Geloven dat de Kennis van Allah allesomvattend is.

    2. Geloven dat Allah alle lotsbeschikkingen tot aan de Dag der Opstanding heeft vastgelegd op Lawh ul-Mahfoed (de Bewaarde Tafel).

    3. Geloven dat alles wat er in het universum gebeurt, geschiedt met de Wil van Allah.

    4. Geloven dat Allah alles en iedereen heeft geschapen. Hij doet de regen vallen en het weidegras groeien. Hij is het Die de daden en eigenschappen van Zijn schepselen heeft geschapen.

    Allah heeft vijftigduizend jaar voordat Hij de hemelen en de aarde heeft geschapen al datgene voorbeschikt wat er tot aan de Dag der Opstanding zal plaatsvinden. Datgene wat een persoon zal overkomen, kan daarom nooit aan hem voorbijgaan en datgene wat hem niet is overkomen, was niet voor hem bestemd.

    Dit waren de zes zuilen van Imaan die de Profeet verduidelijkte. Iemands Imaan wordt pas compleet als hij daadwerkelijk in alle zes zuilen gelooft. Moge Allah ons allen doen toebehoren tot degenen die daarin geloven.

    · Ihsaan houdt in dat je jouw Heer vol verlangen en hoop aanbidt. Alsof je Hem ziet en graag nader tot Hem wilt komen. Dit is het allerhoogste niveau van Ihsaan. Als je dit niveau niet weet te bereiken, dan is er nog altijd een tweede niveau: het aanbidden van Allah uit vrees en vluchtend voor Zijn Bestraffing. Vandaar dat de Profeet zei: “En als je Hem niet ziet, dan ziet Hij jou wel.”

    · De kennis over het Uur (de Dag der Opstanding) behoort tot het Ongeziene. Niemand heeft hierover kennis, behalve Allah, de Verhevene. Wie het tegendeel beweert, is een leugenaar. De Kennis hierover is zelfs niet vrijgegeven aan de beste Boodschapper onder de Engelen: Djibriel en de beste Boodschapper onder de mensen: Mohammed .

    · Het Uur kent een aantal tekenen. Hierover heeft Allah gezegd:

    “Wachten zij (de ongelovigen) slechts op het Uur dat tot hen plotseling zal komen.”
    (Soerat Mohammed: 18)

    De geleerden hebben de tekenen van het Uur in drie categorieën gesplitst:

    1. Tekenen die al geweest zijn.

    2. Tekenen die nog steeds herhaald worden.

    3. Tekenen die zich pas vlak voor de Dag der Opstanding zullen voordoen. Dit zijn de grote tekenen, zoals het neerdalen van Iesaa ibnoe Maryam , het verschijnen van de Dadjaal (antichrist), Ya’djoedj en Ma’djoedj (Gog en Magog) en het opkomen van de zon vanuit het westen.

    In de overlevering heeft de Profeet een aantal (kleine) tekenen van het Uur genoemd. Zo noemde hij: “Dat de slavin haar meesteres zal baren.” Dat wil zeggen dat een slavin een meisje zal baren dat rijk zal worden totdat haar bezittingen gelijk zijn aan die van haar moeder. Het snel verveelvoudigen van de bezittingen en het verspreiden hiervan onder de mensen wordt nog eens bevestigd door het daarna genoemde teken: ‘En dat je ziet dat blootsvoet lopende, naakte en behoeftige schaapherders wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen.’

    · De goede onderwijsmethode van de Profeet . Hij vroeg de metgezellen of zij de vragensteller kenden of niet, om ze vervolgens te vertellen wie hij was. Dit heeft meer effect dan wanneer de Profeet dit meteen zou vertellen. Door eerst de vraag te stellen en daarna pas het antwoord te geven zorgde de Profeet ervoor dat de metgezellen het antwoord beter zouden begrijpen en deze les hen langer bij zou blijven.

    En Allah leidt tot succes.

    [1] Moe’allafati Qoeloebihim: hiermee wordt gedoeld op degene wiens bekering tot de Islam wenselijk zou zijn of degene wiens kwaad gevreesd wordt.

    SCROLL_TEXT
  • DE ZUILEN VAN DE ISLAM

    Aboe Abdur-Rahman Abdullah ibnoe Omar ibnoel-Khattaab overlevert: “Ik hoorde de Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – zeggen:

    “De Islam is gebouwd op vijf (zuilen): het getuigen dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah en dat Mohammed de Boodschapper is van Allah, het verrichten van het gebed, het betalen van de zakaah (armenbelasting), het verrichten van de haddj (bedevaart) naar het (Heilige) Huis (in Mekka) en het vasten in (de maand) Ramadan.”

    (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

    Uitleg

    In deze overlevering maakt de Profeet – vrede zij met hem – duidelijk dat de Islam te vergelijken is met een bouwwerk dat een persoon van schaduw voorziet en zowel interne als externe bescherming biedt. De Profeet – vrede zij met hem – vertelt dat de Islam op vijf zuilen is gebouwd, namelijk:

    1. Het getuigen dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah en dat Mohammed – vrede zij met hem – de Boodschapper is van Allah.

    2. Het verrichten van het gebed.

    3. Het betalen van de zakaah (armenbelasting).

    4. Het vasten in de maand Ramadan.

    5. Het verrichten van de Haddj (bedevaart) naar het Heilige Huis in Mekka.

    In de vorige overlevering van Omar ibnoel-Khattaab worden deze zaken nader uitgelegd.

    Wij zouden ons af kunnen vragen: “Wat is de toegevoegde waarde van deze overlevering als de inhoud ervan al in de vorige overlevering staat?” Het antwoord daarop is tweezijdig. Enerzijds komt het door het belang van het onderwerp. Imam an-Nawawi wilde dit nogmaals benadrukken. Anderzijds komt het omdat hier verklaard wordt dat de Islam op vijf (zuilen) gebouwd is, in de overlevering van Omar wordt het niet zo geformuleerd al kun je daar hetzelfde uit opmaken.

    SCROLL_TEXT
  • DE VOORBESCHIKKING

    Aboe Abdur-Rahmaan Abdullah ibnoe Masoed overlevert: “De Boodschapper van Allah – vrede zij met hem -, en hij is de Waarheidsgetrouwe, de Geloofswaardige, heeft ons verteld

    “Waarlijk, de schepping van eenieder van jullie vindt plaats in de buik van zijn moeder, dit gedurende veertig dagen in de vorm van een noetfah (levenskiem). Daarna is het net zo lang een alaqah (bloedklonter). Vervolgens is het net zo lang een moedghah (een vleeskauwsel). Dan wordt er een Engel naar hem gestuurd die in hem de ziel blaast en die belast is met de volgende vier zaken; het opschrijven van:

    – Zijn levensonderhoud

    – Zijn sterfdag

    – Zijn daden

    – En of hij een ellendeling of gelukzalige zal zijn (in het Hiernamaals).

    Bij Allah, buiten Wie er geen god is, iemand van jullie zal werkelijk het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van het Paradijs, totdat er tussen hem en dit (Paradijs) niet meer dan een armslengte afstand is, dan overkomt hem datgene wat voorbeschikt is en hij zal het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van de Hel, waarna hij deze (uiteindelijk) zal binnentreden. En (zo ook) zal iemand van jullie het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van de Hel, totdat er tussen hem en deze (Hel) niet meer dan een armslengte afstand is, dan overkomt hem datgene wat voorbeschikt is en hij zal het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van het Paradijs, waarna hij dit (uiteindelijk) zal binnentreden.”

    (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

    Uitleg

    Deze overlevering is de vierde overlevering van imam an-Nawawi waarin ons verteld wordt hoe de schepping van de mens zich ontwikkelt in de schoot van zijn moeder en hoe zijn sterfdag, levensonderhoud en dergelijke zaken worden bepaald.

    Abdullah ibnoe Masoed zegt: “De Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – en hij is de Waarheidsgetrouwe, de Geloofswaardige, heeft ons verteld.” Waarheidsgetrouw betreffende datgene wat hij vertelt en hij is geloofwaardig betreffende datgene wat aan hem is geopenbaard. Abdullah ibnoe Masoed begon met deze inleiding, omdat de zaken die in deze overlevering verteld worden tot het Ongeziene behoren die slechts middels Openbaring bekend kunnen worden gemaakt.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Er wordt ons verteld hoe de mens zich in de schoot van zijn moeder ontwikkelt. Hierin worden de volgende vier fasen genoemd:

    1. De ontwikkeling van de noetfah (levenskiem) voor de duur van veertig dagen.

    2. De ontwikkeling van de alaqah (bloedklonter) voor de duur van veertig dagen.

    3. De ontwikkeling van de moedghah (vleeskauwsel) voor de duur veertig dagen.

    4. De laatste ontwikkeling vindt plaats nadat de ziel ingeblazen wordt.

    Een embryo ontwikkelt zich dus volgens de hierboven genoemde ontwikkelingsfasen.

    · De eerste vier maanden kan er niet gezegd worden dat het embryo een levend mens is. Op basis daarvan kunnen we zeggen dat als vóór het verstrijken van de vier maanden sprake is van een miskraam, hij niet gewassen wordt noch in een lijkengewaad (kafan) wordt gehuld en er wordt geen dodengebed voor hem verricht. Dit omdat hier niet gesproken kan worden van een mens.

    · Na vier maanden wordt in het embryo de ziel ingeblazen. Vanaf dat moment is het embryo een levend mens. Als er na deze periode sprake is van een miskraam, dan wordt het gewassen, in een kafan gehuld en wordt er het dodengebed voor verricht, zoals dit ook het geval zou zijn als de negen maanden voltooid waren.

    · Er is een Engel die over datgene wat zich in de baarmoeders bevindt is aangesteld.
    Dit op basis van de uitspraak van de Profeet – vrede zij met hem -: “Dan wordt er een Engel naar hem gestuurd…”

    · De volgende zaken worden voor de mens vastgelegd, terwijl hij zich in de schoot van zijn moeder bevindt: zijn levensonderhoud, zijn daden, zijn sterfdag en of hij ellendig of gelukzalig zal zijn.

    · Een ander punt dat deze overlevering ons leert is de Wijsheid en Alwetendheid van Allah. Alles bij Hem heeft een vastgesteld tijdstip dat niet vervroegd noch uitgesteld wordt.

    · Men dient angst en vrees te hebben, want de Profeet – vrede zij met hem – vertelde ons het volgende: “Iemand van jullie zal werkelijk het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van het Paradijs, totdat er tussen hem en dit (Paradijs) niet meer dan een armslengte afstand is, dan overkomt hem datgene wat voorbeschikt is en hij zal het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van de Hel, waarna hij deze (uiteindelijk) zal binnentreden.”

    · Men dient de hoop niet op te geven want de mens kan zonden verrichten voor een lange periode, waarna Allah hem alsnog leiding schenkt op zijn oude dag. Maar wat als iemand vraagt: “Welke wijsheid schuilt er achter het feit dat Allah iemand in de steek laat die het soort daden verricht van de mensen van het Paradijs, totdat er tussen hem en het Paradijs nog maar (een afstand) van een armslengte is en hem dan datgene overkomt dat voor hem voorbeschikt is en hij het soort daden zal verrichten van de mensen van de Hel en daarin terecht zal komen?”

    Het antwoord hierop is als volgt: “De wijsheid hiervan is dat het voor ons wellicht lijkt dat deze persoon goede daden verricht, maar in werkelijkheid slechte en verdorven intenties heeft. Uiteindelijk krijgen deze verdorven intenties de overhand en zal zijn leven een slechte afloop kennen. Moge Allah ons hiervoor behoeden. Vandaar dat met de volgende woorden ‘totdat er tussen hem en dit (Paradijs) niet meer dan een armslengte afstand is,’ niet gedoeld wordt op het toenaderen van het Paradijs door de mens middels zijn daden, maar op het naderen van zijn sterfdag.

    SCROLL_TEXT
  • HET VERBOD OP NIEUWLICHTERIJ (BIDAA)

    De moeder der gelovigen, Oem Abdullah Aa’ishah overlevert dat de Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – zei:

    “Wie iets toevoegt aan deze zaak van ons wat hiertoe niet behoort, het zal verworpen worden.” (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

    In de versie van Moeslim:

    “Wie een daad verricht die niet in overeenstemming is met onze zaak, het zal verworpen worden.”

    Uitleg

    De geleerden hebben over deze overlevering gezegd dat het de maatstaf is voor de uiterlijke daden. De overlevering van Omar ibnoe al-Khattaab – de eerste van dit verzamelwerk – waarin hij overlevert: “Voorwaar, de daden worden beoordeeld op basis van de intentie,” dient als maatstaf voor de innerlijke daden. Want elke daad heeft een intentie en een uitvoering. De uitvoering is het uiterlijk van de daad en de intentie is het innerlijk ervan.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Eenieder die iets toevoegt aan deze zaak – oftewel de Islam- wat daartoe niet behoort, dit zal nooit en te nimmer van hem geaccepteerd worden, ook al is zijn intentie nog zo goed. Hieruit kunnen wij dus opmaken dat alle vormen van bida ontoelaatbaar en onaanvaardbaar zijn, al is de intentie goed.

    · Iedereen die een goede daad verricht, maar deze niet volgens de Islamitische voorschriften nakomt, zijn daad zal verworpen worden ook al vindt deze daad zijn oorsprong in de Islam. Dit op basis van de tweede overlevering van imam Moeslim. Zo wordt bijvoorbeeld een kooptransactie die niet aan de Islamitische voorschriften voldoet, nietig verklaard en zo ook het verrichten van optionele gebeden zonder enige reden op verboden tijden en het vasten op de Ied-dagen.
    Dit omdat al deze daden niet in overeenstemming zijn met het Bevel van Allah en Zijn Boodschapper – vrede zij met hem – en daardoor als nietig en verworpen worden beschouwd.

    SCROLL_TEXT
  • AL-HALAAL IS DUIDELIJK EN AL-HARAAM IS DUIDELIJK

    Aboe Abdullah an-Noemaan ibnoe Bashier overlevert:
    “Ik hoorde de Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – zeggen:

    “Waarlijk, al-Halaal is duidelijk en waarlijk, al-Haraam is (ook) duidelijk. En tussen beiden zijn er twijfelachtige zaken waarover veel mensen (het oordeel) niet weten. Degene die zich dus verre houdt van twijfelachtige zaken, heeft zich daarmee veilig weten te stellen wat betreft zijn religie en zijn eer. En degene die echter vervalt in twijfelachtige zaken, vervalt in al-Haraam, net als de herder die zijn kudde in de buurt van andermans weide laat grazen, waardoor hij op het punt staat hen daarin te laten grazen. Is het niet zo dat elke koning zijn eigen territorium heeft en dat het territorium van Allah Zijn verboden zijn? En waarlijk, in het lichaam bevindt zich een moedghah (een vleeskauwsel), als deze goed is, dan is het hele lichaam goed en als deze verdorven is, dan is het hele lichaam verdorven: en werkelijk, dit is het hart.” (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

    Uitleg

    · De Profeet – vrede zij met hem – heeft de zaken in drie categorieën gesplitst:

    1. Duidelijk toegestane zaken, waarover geen twijfel bestaat: al-Halaal.

    2. Duidelijk verboden zaken, waarover geen twijfel bestaat: al-Haraam.

    Deze twee categorieën spreken voor zich. Wat betreft al-Halaal, dit is toegestaan en het verrichten ervan is geen zonde. En wat al-Haraam betreft, dit is verboden en het verrichten ervan wordt als een zonde beschouwd. Een voorbeeld van al-Halaal is het eten van ritueel geslacht vee en een voorbeeld van al-Haraam is het drinken van bedwelmende dranken.

    3. Twijfelachtige zaken waarover het oordeel niet voor iedereen duidelijk is, maar voor anderen weer wel. Hierover heeft de Profeet – vrede zij met hem – gezegd dat men dit uit godsvrucht dient te mijden, zeggende: “Degene die zich dus verre houdt van twijfelachtige zaken, heeft zich daarmee veilig weten te stellen wat betreft zijn religie en zijn eer.”

    Hij stelt zichzelf veilig wat betreft zijn religie – de relatie tussen hem en Allah – en zijn eer – de relatie tussen hem en de mensen, zodat zij niet zullen zeggen: “Die en die persoon heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van dat verbod.” Waarvan zij wel het oordeel kennen, terwijl hij hier niet op de hoogte is.

    · Vervolgens stelt de Profeet – vrede zij met hem – degene die zich schuldig maakt aan twijfelachtige zaken gelijk aan een herder die zijn kudde in de buurt van andermans weide laat grazen. Met andere woorden, in de buurt van beschermd grond waar geen vee graast en daardoor nog groen is. Dit stuk grond is aanlokkelijk voor de kudde die zich dan ook langzaam richting dit grond zal begeven om daar te grazen. “Net als de herder die zijn kudde in de buurt van andermans weide laat grazen, waardoor hij op het punt staat hen daarin te laten grazen.”

    Verder zegt de Profeet – vrede zij met hem -: “Is het niet zo dat elke koning zijn eigen grens heeft en dat de grenzen van Allah Zijn verboden zaken zijn?” Oftewel, het is gewoonlijk dat de koningen in het bezit zijn van territoria die zij beschermen en Allah’s territoria zijn Zijn verboden zaken, omdat Hij hen verbiedt deze te overtreden.

    · Vervolgens maakt de Profeet – vrede zij met hem – ons duidelijk dat er zich in het lichaam een vleeskauwsel bevindt en als dit goed is, dan zal het gehele lichaam goed zijn. Dit op basis van zijn e uitspraak: “En waarlijk, in het lichaam bevindt zich een moedghah (een vleeskauwsel), als deze goed is, dan is het hele lichaam goed.”

    Dit wijst erop dat men de verlangens die het hart vullen onder bedwang dient te houden om zodoende te voorkomen dat hij in verboden en twijfelachtige zaken vervalt.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De toegestane en verboden zaken van de Islamitische wetgeving zijn duidelijk en de twijfelachtige zaken daarvan zijn slechts voor sommigen duidelijk.

    · Als men over een bepaalde zaak twijfelt of deze toegestaan of verboden is, dient hij deze zaak te vermijden totdat het duidelijk is of dit toegestaan is.

    · Als men in aanraking komt met twijfelachtige zaken, zal het eenvoudig voor hem zijn om vervolgens om in duidelijke verboden zaken te vervallen. Zijn ego zal hem na het verrichten van twijfelachtige zaken uitnodigen naar het verrichten van duidelijke verboden zaken, waardoor hij zichzelf uiteindelijk ten gronde zal richten.

    · Het is toegestaan om een gelijkenis te trekken om zo een abstracte zaak, door middel van het geven van een concreet voorbeeld, te verduidelijken.

    · De Profeet zijn – vrede zij met hem – verheven wijze van onderrichten van zijn metgezellen middels het geven van duidelijke voorbeelden.

    · Het hart bepaalt of een persoon goed, dan wel slecht is. Op grond hiervan dient men altijd waakzaam te zijn over zijn hart, opdat het standvastig zal blijven, zoals vereist.

    · Verdorvenheid van het uiterlijk duidt op verdorvenheid van het innerlijk, dit op basis van de uitspraak van de Profeet – vrede zij met hem -: “Als deze goed is, dan is het hele lichaam goed en als deze verdorven is, dan is het hele lichaam verdorven.”

    SCROLL_TEXT
  • GODSDIENST IS OPRECHTHEID

    Aboe Roeqayyatah Tamiem ibnoe Aws ad-Daariy overlevert dat de Profeet-vrede zij met hem-zei: “De religie is nasiehah.” Wij vroegen: “Ten opzichte van wie?” Hij – vrede zij met hem – antwoordde: “Ten opzichte van Allah, Zijn Boek, Zijn Boodschapper, de leiders van de moslims en de moslims in het algemeen.” (Overgeleverd door Moeslim)

    Uitleg

    ‘Nasiehah ten opzichte van Allah,’ is tevens Nasiehah ten opzichte van Zijn godsdienst. Dit door Zijn geboden na te komen, Zijn verboden te vermijden, Zijn berichtgevingen te geloven, ons tot Hem te keren, op Hem te vertrouwen en de overige Islamitische rituelen en voorschriften in acht te nemen.

    ‘Nasiehah ten opzichte van Zijn Boek,’ houdt in dat je dient te geloven dat de Koran het Woord van Allah is. Het bevat ware berichtgevingen, rechtvaardige wetten en leerzame verhalen. Tevens houdt het in dat je voor al je zaken terugkeert naar de Koran om hierover te oordelen.

    ‘Nasiehah ten opzichte van Zijn Profeet,’ houdt in dat je in hem – vrede zij met hem – gelooft als zijnde de Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – die naar alle inwoners van de werelden is gezonden, van hem – vrede zij met hem – houdt, hem – vrede zij met hem – als voorbeeld neemt, gelooft in alles wat hij – vrede zij met hem – heeft verteld, doet wat hij e- vrede zij met hem – ons heeft opgedragen, vermijdt wat hij – vrede zij met hem – ons heeft verboden en zijn godsdienst verdedigt.

    ‘Nasiehah ten opzichte van de leiders van de moslims,’ houdt in dat je hen advies geeft door het verduidelijken van de waarheid, hen niet tot last bent, geduld toont als jou onrecht door hen wordt aangedaan en dat jij de overige algemeen bekende rechten die hen toekomen in acht neemt, zoals het helpen en bijstaan van hen in datgene waarin jij verplicht bent om hen steun te bieden. Hierbij kun je denken aan het bestrijden van de vijand.

    ‘Nasiehah ten opzichte van de moslims in het algemeen,’ houdt in dat je de overige moslims adviseert door hen uit te nodigen naar Allah, tot het goede aanspoort, het verwerpelijke verbiedt en hen het goede onderwijst enz. Zodoende is godsdienst raadgeving geworden en de eerste die tot de moslimonderdanen hoort ben je zelf. Anders gezegd, men dient zichzelf allereerst te adviseren.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De godsdienst is het elkaar adviseren. Dit op basis van de uitspraak van de Profeet – vrede zij met hem -: “De religie is nasiehah.”

    · Nasiehah kan onderverdeeld worden in vijf categorieën, namelijk ten opzichte van:

    1. Allah

    2. Zijn Boek

    3. Zijn Boodschapper – vrede zij met hem –

    4. De moslimleiders

    5. De overige moslim

    · De nadruk die gelegd wordt op nasiehah ten opzichte van de vijf genoemde categorieën. De Profeet – vrede zij met hem – noemde dit immers de godsdienst en zondermeer dient men over zijn godsdienst te waken in dit in acht te nemen. Vandaar dat de Profeet – vrede zij met hem – nasiehah in deze vijf categorieën verdeelde.

    · Het verbod op bedrog, want als godsdienst het geven van goed advies inhoudt, dan is misleiding het tegenovergestelde van goed advies en in strijd met de Islam.

    Tevens is er overgeleverd dat de Profeet – vrede zij met hem – zei:
    “Wie ons bedriegt, behoort niet tot ons.”

    Het Arabische woord ‘nasiehah’ betekent advies of raadgeving, maar kan hier ook vertaald worden met oprechtheid of zuiverheid.

    SCROLL_TEXT
  • DE ONSCHENDBAARHEID VAN DE MOSLIM

    Ibnoe Omar overlevert dat de Boodschapper van Allah vrede zij met hem zei:
    “Ik heb opdracht gekregen om de mensen1 te bestrijden totdat zij getuigen dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah en dat Mohammed de Boodschapper is van Allah, het gebed onderhouden en de zakaah (armenbelasting) afstaan. Als zij dat doen, zijn zij onschendbaar voor mij geworden wat betreft hun bloed en hun bezittingen. Behalve (als zij) het recht van de Islam (overschrijden). En hun berechting berust bij Allah, de Verhevene.” (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

    Uitleg

    ‘Ik kreeg de opdracht,’ wil zeggen dat Allah de opdracht gaf. De Profeet noemt hier niet Degene van Wie hij de opdracht heeft gekregen omdat het vanzelfsprekend is dat Allah, de Verhevene, Degene is Die verbiedt en beveelt.

    · “Om de mensen te bestrijden tot zij getuigen dat…” Hier laat de Boodschapper zich in algemene termen uit, maar degenen die bestreden dienen te worden, worden door Allah nader gespecificeerd in het volgende vers waarin Allah zegt:
    “Doodt hen die niet in Allah en het Hiernamaals geloven en die niet voor verboden houden wat Allah en Zijn Boodschapper verboden hebben verklaard; en zij die de Ware godsdienst (de Islam) niet als godsdienst nemen, van hen aan wie de Schrift is gegeven, totdat zij de Djizyah betalen, met eigen handen, terwijl zij onderdanig zijn.”
    (Soerat at-Tauwbah: 29)

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Wie de zakaah weigert te betalen, dient bestreden te worden, zoals Aboe Bakr degenen heeft bestreden die geen zakaah betaalden.

    · Als men de Islam uiterlijk belijdt, dan wordt het innerlijk aan Allah overgelaten. Vandaar dat de Profeet zei: “Als zij dat doen, zijn zij onschendbaar voor mij geworden wat betreft hun bloed en hun bezittingen. Behalve (als zij) het recht van de Islam (overschrijden). En hun berechting berust bij Allah, de Verhevene.”

    · De bevestiging van het feit dat de mens berecht zal worden voor zijn daden. Als deze goed zijn, zal het hem goed vergaan. Zijn deze slecht, dan zal het hem slecht vergaan. Allah, de Verhevene zegt:
    “Wie iets goeds doet ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien. En wie iets slechts doet ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien.”

    (Soerat az-Zalzalah: 7-8)

    1Deze overlevering refereert naar het bestrijden van de polytheïstische Arabieren op het Arabische schiereiland, zoals al-Khattaabi, Ibnoe Daqieq al-Ied e.a. hebben gezegd.

    2Ook wel minderheidsbelasting. Een belasting die geheven wordt van Joden en Christenen die als waarborg dient dat zij in een Islamitische staat mogen leven, terwijl hun levens, bezittingen en eer beschermd worden. Dit is een jaarlijks bedrag waarvan de hoogte afhankelijk is van de rijkdom van de betaler.

    SCROLL_TEXT
  • JEZELF NIET BOVEN JE VERMOGEN BELASTEN

    Aboe Hoerayrah Abdur-Rahmaan ibnoe Sakhr overlevert:
    “Ik heb de Profeet – vrede zij met hem – horen zeggen:

    “Wat ik jullie verboden heb, vermijdt dit. En wat ik jullie heb opgedragen, verricht dit, voorzover jullie daartoe in staat zijn. Degenen vóór jullie zijn namelijk te gronde gegaan door hun vele vragen en meningsverschillen met hun Profeten.”
    (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

    Uitleg

    ‘Wat’ in de zinsdelen ‘Wat ik jullie verboden heb,’ en ‘Wat ik jullie heb opgedragen’ duidt in hetArabisch op het onvoorwaardelijk accepteren van de bevelen van de Profeet – vrede zij met hem -. De zaken die de Profeet – vrede zij met hem – verboden heeft, dienen dus in hun geheel vermeden te worden en niets van deze verboden zaken dient men te verrichten. En iets laten is natuurlijk gemakkelijker dan iets doen, dit is algemeen bekend.

    Wat betreft de geboden, hierover heeft de Profeet – vrede zij met hem – gezegd:
    “En datgene wat ik jullie heb opgedragen, verricht dit, voorzover jullie daartoe in staat zijn.” Want de geboden zijn daden die men dient te verrichten en men kan het hier zwaar mee hebben. Vandaar dat de Profeet – vrede zij met hem – de volgende voorwaarde hieraan stelde:
    “Voorzover jullie daartoe in staat zijn.”

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De verplichting om alles wat de Profeet – vrede zij met hem – ons heeft verboden te vermijden en daarnaast verdient datgene wat Allah ons heeft verboden het nog meer om vermeden te worden. Dit zolang er geen bewijs is dat de betreffende zaak bijvoorbeeld slechts afgeraden is en niet verboden.

    · Het is niet toegestaan om enkele verboden te verrichten. Men dient daarentegen alle verboden te vermijden. Indien er sprake is van een noodzaak dan is dit natuurlijk een andere situatie.

    · De verplichting om datgene te doen wat de Profeet – vrede zij met hem – ons heeft opgedragen, zolang er geen bewijs is dat ons erop wijst dat er slechts sprake is van een aanbevolen daad.

    · De mens is niet verplicht om meer te doen dan waartoe hij in staat is.

    · Het gemak van deze godsdienst, aangezien er niets voor een persoon verplicht is wat niet binnen zijn vermogen ligt.

    · Wie niet in staat is een deel van datgene wat hem is opgedragen te verrichten, voor hem volstaat het om datgene te doen waartoe hij wel in staat is. Wie het gebed niet staand kan verrichten, kan dit zittend verrichten. Wie dit niet zittend kan verrichten, mag dit op zijn zijde verrichten. Wie in staat is de roekoec (de neerbuiging tijdens het gebed) te verrichten, die buigt, en wie dit niet kan doen, kan volstaan met het knikken van zijn hoofd. Dit geldt ook voor alle andere daden van aanbidding. Men verricht deze voor zover men daartoe in staat is.

    · Het is niet wenselijk om te veel vragen te stellen. Want te veel vragen stellen – in het bijzonder ten tijde van het nederdalen van de openbaring – kan wellicht leiden tot een verbod op iets wat daarvoor niet verboden was of tot het verplicht worden van iets wat daarvoor niet verplicht was. Men dient zich in zijn vragen slechts te beperken tot datgene wat nodig is.

    · Het teveel stellen van vragen en twisten met de Profeten behoort tot de oorzaken waardoor men zichzelf ten gronde richt. Zoals degenen vóór ons die zichzelf hierdoor ook ten gronde hebben gericht.

    · De waarschuwing tegen het teveel stellen van vragen en het hebben van meningsverschillen, omdat dit heeft geleid tot vernedering van de mensen vóór ons. Als wij dit ook doen, zullen wij onszelf ook ten gronde richten zoals zij ook deden.

    SCROLL_TEXT
  • HET ETEN VAN DATGENE WAT TOEGESTAAN IS

    Aboe Hoerayrah overlevert dat de Profeet heeft gezegd:
    “Allah, de Verhevene, is goed en aanvaardt alleen het goede. En Allah heeft de gelovigen datgene opgedragen wat Hij de Boodschappers heeft opgedragen. Hij, de Verhevene, zegt:

    “O boodschappers, eet van de goedheden en verricht goede daden.”
    (Soerat al-Moe’minoem: 51)

    En Allah, de Verhevene, zegt: “O jullie die geloven, eet van de goedheden (wat betreft voedsel) waarvan Wij jullie hebben voorzien.” (Soerat al-Baqarah: 172)

    Daarna vertelde hij over een man, die een lange reis maakt, met verwarde haren en onder het stof, die zijn handen ter hemel strekt (smekende): “O, Heer! O, Heer!” Dit terwijl zijn eten haraam is, zijn drinken haraam is, zijn kleding haraam is en hij door haraam wordt gevoed. Hoe kan hij dan verhoord worden?” (Overgeleverd door Moeslim)

    Uitleg

    ‘Allah, de Verhevene, is goed en aanvaardt alleen het goede.’ Hiermee wordt bedoeld dat Allah Zelf goed is. Hij is goed wat betreft Zijn Eigenschappen en Daden. Hij accepteert slechts datgene wat goed is en datgene wat op een goede (toegestane) manier verdiend is. Wat betreft datgene wat slecht is, zoals bedwelmend drank en wat op een slechte manier wordt verdiend, zoals de verdiensten uit woekerrente, Allah accepteert dit niet. Dit op basis van de volgende woorden van de Profeet : “En Allah heeft de gelovigen datgene opgedragen wat Hij de Boodschappers heeft opgedragen. Hij, de Verhevene, zegt: “O boodschappers, eet van de goedheden en verricht goede daden.” (Soerat al-Moe’minoem: 51)

    De opdracht van Allah aan de Profeten en de gelovigen is één en dezelfde; namelijk dat zij van de goede zaken dienen te eten en de verwerpelijke zaken zijn hen verboden. Dit op basis van de Woorden van Allah waarmee Hij Zijn Boodschapper beschrijft:

    “Hij beveelt hen het goede en hij verbiedt hen het verwerpelijke, en hij staat hen de goede dingen toe en hij verbiedt hen de slechte dingen.” (Soerat al-Araaf: 157)

    Daarna vertelde de Profeet dat het verhoren van de smeekbede van deze man achterwege bleef omdat zijn voedsel verboden was. Ondanks dat de vereiste middelen aanwezig waren om verhoord te worden. Hij vertelde ‘over een man, die een lange reis maakt, met verwarde haren en onder het stof, die zijn handen ter hemel strekt (zeggende): “O, Heer! O, Heer!” Dit terwijl zijn eten haraam is, zijn drinken haraam is, zijn kleding haraam is en hij door haraam wordt gevoed. Hoe kan hij dan verhoord worden?’

    De volgende vier kenmerken worden van deze man beschreven:

    1. Hij maakt een lange reis. Dit kan ertoe leiden dat de smeekbede van een dienaar verhoord wordt.

    2. Zijn haren waren verward en hij zat onder het stof. Allah, de Verhevene, is met degenen wiens harten gekweld zijn omwille van Hem. Hij kijkt naar Zijn dienaren op de Dag van cArafah en zegt: “Zij kwamen tot Mij met verwarde haren en onder het stof.”

    Dit behoort ook tot de redenen voor het verhoord worden van smeekbeden.

    3. Hij strekte zijn handen uit naar de hemel. Ook dit behoort tot de redenen voor het verhoord worden van de smeekbeden. Allah acht het Hem onwaardig wanneer Zijn dienaar zijn handen naar Hem opheft, dat Hij hem vervolgens met lege handen achterlaat.

    4. Zijn smeekbede tot Allah: “O Heer! O Heer!” Dit is een poging van toenadering tot Allah middels het aanroepen van Zijn Heerschappij. Ook dit behoort tot de redenen voor het verhoord worden van de smeekbede.

    Ondanks al deze aanwezige zaken wordt zijn smeekbede niet verhoord, omdat zijn eten, drinken en kleding haraam zijn. Dit is de reden waarom de Profeet zei dat het onwaarschijnlijk was dat de smeekbede van deze man verhoord zou worden. Hij zei:
    “Hoe kan hij dan verhoord worden?”

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Allah, de Verhevene, Zelf is goed en Hij is goed wat betreft Zijn Eigenschappen en Daden.

    · Het stellen van Allah boven elke vorm van tekortkoming.

    · De wetenschap dat er daden zijn die Allah wel accepteert en daden die Hij niet accepteert.

    · Allah, de Verhevene, heeft Zijn Boodschappers en de mensen naar wie zij gestuurd zijn bevolen om van de reine zaken te eten en dat zij Hem dankbaar moeten zijn.

    · Het dankbaar zijn van Allah behoort tot de goede daden, dit op basis van de volgende Woorden van Allah: “O boodschappers, eet van de goedheden en verricht goede daden.” (Soerat al-Moe’minoem: 51)

    En Allah, de Verhevene, zegt tegen de gelovigen:

    “O jullie die geloven, eet van de goedheden (wat betreft voedsel) waarvan Wij jullie hebben voorzien en weest Allah dankbaar.” (Soerat al-Baqarah: 172)

    · Wil iemand dat zijn smeekbede verhoord wordt, dan moet hij weten dat het vermijden van haraam eten en drinken hiervoor een voorwaarde is, dit op basis van de uitspraak van de Profeet : “Hoe kan hij dan verhoord worden?”

    · Tot de redenen die ertoe leiden dat een smeekbede verhoord wordt, behoren:

    1. Het feit dat men op reis is.

    2. Het heffen van de handen naar de hemel.

    3. Het toenadering zoeken tot Allah middels het aanroepen van Zijn Heerschappij. Allah is immers de enige ware Heer, Hij is de Schepper en de Bestuurder (van het universum).

    · De Boodschappers werden net als de gelovigen belast met het verrichten van daden van aanbidding.

    · De verplichting om Allah dankbaar te zijn voor Zijn gunsten, dit op basis van de volgende uitspraak van Allah, de Verhevene: “…En weest Allah dankbaar.” (Soerat al-Baqarah: 172)

    · Het is niet slechts gewenst, maar zelfs verplicht dat iemand daden verricht die ertoe leiden dat zijn smeekbeden verhoord zullen worden. Daarnaast dient men daden te vermijden die een belemmering vormen voor het verhoord worden van de smeekbeden.

    SCROLL_TEXT
  • HET LATEN VAN TWIJFELACHTIGE ZAKEN

    Aboe Mohammed al-Hasan bin Ali ibn Abi Taalib , de kleinzoon en oogappel van de Profeet , zei:
    “Ik heb van de Boodschapper van Allah het volgende onthouden:

    “Verlaat datgene waar je over twijfelt voor datgene waar je niet over twijfelt.”
    (Overgeleverd door at-Tirmidhi en an-Nasaa’i. At-Tirmidhi noemt het een goede en authentieke overlevering)

    Uitleg

    Aboe Mohammed al-Hasan ibn Ali is de zoon van de dochter van de Profeet en is de beste van de twee kleinzonen van de Profeet. De Profeet prees hem door te zeggen:
    “Waarlijk, deze zoon van mij is een heer, en Allah zal middels hem twee moslimgroepen tot verzoening brengen.”

    Allah heeft middels hem twee ruziënde moslimgroepen nader tot elkaar gebracht door de kalifaatschap af te staan aan Moeawiyyah ibnoe Abi Soefyaan. Dit bewijst dan ook zijn grootsheid.
    Deze overlevering lijkt op de eerdergenoemde overlevering waarin de Profeet zei:
    “En tussen beiden zijn er twijfelachtige zaken waarover veel mensen (het oordeel) niet weten. Degene die zich dus verre houdt van twijfelachtige zaken, heeft zich daarmee veilig weten te stellen wat betreft zijn religie en zijn eer.”

    Datgene wat men aan het twijfelen brengt, of het nu gaat om wereldse zaken of zaken over het hiernamaals, kan men beter vermijden opdat het geweten zuiver blijft.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Men kan twijfelachtige zaken beter achterwege laten voor zaken die het gemoed gerust stellen.

    · Men is verplicht om zaken die het gemoed onrustig maken te vermijden.

    SCROLL_TEXT
  • HET LATEN VAN DATGENE WAT JE NIETS AANGAAT

    Aboe Hoerayrah overlevert: “De Profeet zei:
    “Wat blijk geeft van iemands goede Islam, is dat hij datgene laat wat hem niet aangaat.”
    (Een goede overlevering. Overgeleverd door at-Tirmidhi en anderen)

    Uitleg

    Deze overlevering is één van de grondslagen van de Islamitische gedragscode en is een leidraad voor iedere moslim. De moslim wordt geacht zichzelf niet te vermoeien met datgene wat hem niet aangaat en dient zich alleen te concentreren op zijn eigen zaken.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De mate waarin de regels van de Islam worden nageleefd, kan van persoon tot persoon verschillen. Het laten van datgene wat een persoon niet aangaat, geeft blijk van iemands goede Islam.

    · Het zich niet bezig houden met andermans zaken stelt de dienaar in staat om zijn tijd beter te gebruiken voor bijvoorbeeld het aanbidden van Allah.

    SCROLL_TEXT
  • BROEDERSCHAP IN DE ISLAM

    Aboe Hamzah, Anas ibnoe Maalik, de bediende van de Boodschapper van Allah , overlevert dat de Profeet zei:

    “Niemand van jullie gelooft (volledig) totdat hij voor zijn broeder wenst wat hij voor zichzelf wenst.”

    (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

    Uitleg

    ‘Niemand van jullie gelooft’ betekent hier dat niemand volmaakte geloof bezit, totdat hij voor zijn moslimbroeder wenst wat hij voor zichzelf wenst qua godsdienstige en wereldse zaken.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Imaan fluctueert, zo bestaat er een Imaan die volmaakt is maar ook één die niet volmaakt is. Dit is ook de overtuiging van Ahl us-Soennati wal Djamaaah; namelijk dat de Imaan toeneemt door het verrichten van daden van gehoorzaamheid aan Allah en afneemt door het verrichten van daden van ongehoorzaamheid aan Hem.

    · De moslims moeten elkaar het goede toewensen.

    · Een moslim mag een ander niet toewensen wat hij zichzelf niet toewenst. Als hij zich hieraan niet houdt, neemt zijn Imaan af. De Profeet heeft zelfs verklaard dat deze persoon geen Imaan bezit.

    · Het belang van het aanhalen en versterken van de relaties van de moslims onderling.

    · Het zich houden aan deze overlevering zorgt ervoor dat een moslim zijn broeder niet benadeelt in zijn bezit, eer en familie. Hij zou het namelijk ook niet willen dat een ander dit hem zou aandoen.

    · De moslimgemeenschap moet als één geheel optreden waarbij zij elkaar ondersteunen.

    · Moslims dienen elkaar op een zachtmoedige wijze aan te spreken.

    SCROLL_TEXT
  • DE NOBELE GEDRAGSCODE

    Aboe Hoerayrah verhaalt dat de Boodschapper van Allah vrede zij met hem heeft gezegd:
    “Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, dient het goede te zeggen of te zwijgen. En wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, dient zijn buurman op een goede wijze te behandelen. En wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, dient zijn gast op een goede wijze te behandelen.”

    (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

    Uitleg

    Deze overlevering omvat een aantal verplichte Islamitische gedragingen, namelijk: het op een goede wijze behandelen van de buurman, want aan de buurman komen specifieke rechten toe. De geleerden hebben gezegd als de buurman een moslim én een familielid van je is, dan heeft hij drie rechten ten opzichte van jou:

    1. Het recht van nabuurschap

    2. Het recht van moslim-zijn

    3. Het recht van verwantschap

    Als de buurman daarentegen moslim is maar geen familielid, dan heeft hij twee rechten ten opzichte van jou. Als hij ongelovig én geen familielid is van jou, dan heeft hij slechts één recht, namelijk het recht van nabuurschap.

    Wat betreft de gast, hij is degene die jou bezoekt in je eigen land en als reiziger bij jou aanklopt. Het is dus een vreemde en een behoeftige persoon.

    Wat betreft het doen van uitspraken, dit behoort tot de zaken die de grootste gevaar vormen voor de mens. Vandaar dat men voorzichtig dient te zijn met datgene wat hij zegt. Men dient het goede te verkondigen of te zwijgen.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De verplichting de buren goed te behandelen. Dit houdt in dat je hem niet tot last mag zijn en goed in de omgang bent met hem. Wie zijn buurman tot last is, is geen gelovige, dit op basis van de uitspraak van de Profeet : “Bij Allah, hij gelooft niet! Bij Allah, hij gelooft niet! Bij Allah, hij gelooft niet! Zij (de metgezellen) vroegen: “Wie, O Boodschapper van Allah?” Hij zei: “Wiens buurman niet veilig is voor zijn kwaad.”

    · De verplichting om de gast op een goede wijze te behandelen, dit op basis van de uitspraak van de Profeet : “Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, dient zijn gast op een goede wijze te behandelen.”

    Onder goede behandeling van de gast wordt onder meer verstaan het goed ontvangen van hem. De moslim wordt geacht zijn gast voor een periode van één dag en één nacht goed te behandelen. Buiten deze periode gebeurt alles op vrijwillige basis. Het is overigens niet gewenst dat de gast langer bij zijn gastheer blijft dan nodig is. Als hij meer dan drie dagen wenst te logeren, dient hij hier toestemming voor te vragen aan zijn gastheer, zodat hij hem niet tot last zal zijn.

    · De aandacht die de Islam aan nabuurschap en gastvrijheid schenkt. Dit duidt op de compleetheid van de Islam en de inachtneming van de rechten van Allah en de rechten van de mensen.

    · Het is toegestaan om te zeggen dat Imaan niet aanwezig is wanneer deze incompleet is, dit op basis van de uitspraak van de Profeet : “Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft…”

    · De ontkenning van de Imaan kent namelijk twee categoriën:

    1. Volledige ontkenning (Nafyoen Moetlaq)

    Hierdoor treedt men buiten de Islam.

    2. Onvolledige ontkenning (Moetlaqoen Nafiy):

    Men pleegt ongeloof wat betreft de verboden daad die men heeft begaan, maar behoudt nog wel het fundament van de Imaan. Dit is de mening van Ahl us-Soennati wal Djamaacah. Men kan volgens hen in het bezit zijn van zowel eigenschappen van Imaan als ongeloof.

    SCROLL_TEXT
  • HET VERBOD OP BOOS WORDEN

    Aboe Hoerayrah overlevert dat een man tegen de Profeet zei:

    “Geef mij raad!” Hij antwoordde: “Word niet boos.” En hij herhaalde meerdere malen, (zeggende): “Word niet boos.” (Overgeleverd door al-Boekhaari)

    Uitleg

    Deze man vroeg de Profeet om hem raad te geven, waarop hij hem antwoordde:
    “Word niet boos.” De Profeet vermeed het om deze persoon godsvrucht (Taqwah) te adviseren, datgene wat Allah deze gemeenschap en degenen die het Boek voor ons hebben gekregen heeft geadviseerd, want hij wist, en Allah weet het het best, dat deze persoon snel en vaak boos werd.

    Dit wil echter niet zeggen dat boos worden niet toegestaan is, aangezien dit tot de natuur van de mens behoort. Wat hier echter mee bedoeld wordt is dat iemand zijn woede moet onderdrukken en niet hieraan moet toegeven. Woede is als een hete steenkool die de shaytaan in de harten van de mens werpt en als gevolg hiervan zie je vaak dat iemands ogen rood worden en hij zijn controle verliest vanwege zijn boosheid. De gevolgen hiervan zijn vaak niet te overzien.

    Dit is dan ook de reden waarom de Profeet dit advies aan deze persoon gaf. Dit advies geldt natuurlijk voor eenieder die net als deze man te leiden heeft onder dit probleem.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De leraar dient altijd rekening te houden met de omstandigheden van elke leerling en hem toe te spreken op een wijze die bij zijn geval past.

    · Boos worden omwille van Allah is toegestaan. Zo werd de Profeet nooit boos, behalve als de rechten van Allah werden geschonden. Ook zegt Allah over Moesaa :

    “En Moesaa keerde woedend terug naar zijn volk.” (Soerat Taa Haa: 86)

    SCROLL_TEXT
  • HET OP EEN BESTE WIJZE SLACHTEN

    Aboe Jalah Shaddaad ibnoe Aws overlevert dat de Boodschapper van Allah zei:

    “Waarlijk, Allah heeft wat betreft alles goedheid voorgeschreven. Als jullie doden, doodt dan op de beste wijze en als jullie slachten, slacht dan op de beste wijze en laat eenieder van jullie zijn mes (goed) slijpen en het te slachten dier geruststellen.”
    (Overgeleverd door Moeslim)

    Uitleg

    Goedheid (Ihsaan) is het tegenovergestelde van schade berokkenen (al-Isaa’ah). Met het doden en het slachten op de beste wijze wordt bedoeld: het bereiken van het beoogde doel zonder daarbij onnodig te doen lijden.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Allah heeft wat betreft alles goedheid voorgeschreven, zelfs bij het nemen van een leven.

    · De verplichting om op beste wijze te doden en te slachten.

    · Het controleren van de te gebruiken gereedschap voor het slachten, dit op basis van de volgende uitspraak:
    “En laat eenieder van jullie zijn mes (goed) slijpen.”

    · Het gerust stellen van het te slachten dier. Dit houdt in dat het dier rustig op de grond geplaatst dient te worden, waarna men een voet op de nek van het dier plaatst zonder de ledematen vast te binden. Dit zorgt ervoor dat het dier zich vrij kan bewegen en het bloed sneller wegstroomt.

    SCROLL_TEXT
  • HET VREZEN VAN ALLAH

    Aboe Dharr Djoendoeb ibnoe Djoenaadah en Aboe Abd ar-Rahman Moeaadh ibnoe Djabal overleveren dat de Boodschapper van Allah zei:

    “Vrees Allah waar je ook bent en laat een goede daad een slechte daad opvolgen zodat deze haar (de slechte daad) uitwist en ga met de mensen om op een goede wijze.”
    (Overgeleverd door at-Tirmidhi, die zei dat het een goede overlevering is en in sommige versies staat dat het een goede authentieke overlevering is )

    Uitleg

    Het Arabische woord Taqwah hebben wij vertaald met ‘vrees’, maar de werkelijke betekenis is: het opwerpen van een bescherming tegen de bestraffing van Allah, dit gebeurt door het opvolgen van de bevelen van Allah en het vermijden van Zijn verboden. Allah dient overal gevreesd te worden. Je dient Hem dus zowel te vrezen op plaatsen waar anderen aanwezig zijn als wanneer je alleen bent. Allah ziet jou immers overal en altijd, vreest hem dan ook overal en altijd.
    En laat een goede daad een slechte daad opvolgen zodat deze haar (de slechte daad) uitwist. Een voorbeeld hiervan is het vragen van vergeving na het begaan van een zonde, berouw behoort namelijk ook tot de goede daden.

    Wanneer de goede daad de slechte daad opvolgt, dan wist zij deze (de slechte daad) uit. Dit wordt nogmaals bevestigd met de volgende Woorden van Allah:

    “Waarlijk, de goede daden wissen de slechte daden uit.” (Soerat Hoed: 114)

    “En ga met de mensen om op een goede wijze.” Dit wil zeggen dat men op een goede manier met mensen dient om te gaan. Zowel door hen goed te behandelen als door hen op een goede wijze aan te spreken. Tenslotte behoeft iedere persoon een andere manier van omgang.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De mate waarin de Profeet aandacht had voor het aansporen van zijn gemeenschap tot het goede, hieronder valt het vrezen van Allah, waar je jezelf dan ook bevindt.

    · Het feit dat wanneer een slechte daad wordt opgevolgd door een goede daad deze slechte daad volledig uitgewist wordt. Dit is slechts het geval wanneer deze goede daad tauwbah (berouw) is, want tauwbah wist al het voorgaande uit. Heeft een persoon een goede daad verricht, anders dan tauwbah, dan wordt de goede daad afgewogen tegen de slechte daad, en als de goede daad meer weegt dan de slechte daad, dan zal de slechte daad verdwijnen. Allah zegt

    “En Wij zullen op de Dag der Opstanding weegschalen der rechtvaardigheid plaatsen, zodat geen ziel maar iets van onrecht wordt aangedaan. En zelfs al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje, Wij zullen ermee komen. En Wij volstaan als Berekenaars.” (Soerat al-Anbiyaa’: 47)

    SCROLL_TEXT
  • WAAKT OVER DE VOORSCHRIFTEN VAN ALLAH

    Aboel Abbaas Abdoellah ibnoe Abbaas overlevert: “Op een dag zat ik achterop bij de Profeet waarop hij tegen mij zei:

    “O jongeman, ik zal je een aantal woorden leren. Waak over (de voorschriften van) Allah en Hij zal over jou waken. Waak over (de voorschriften van) Allah en je zult Hem voor jou treffen. Als je vraagt, vraag dan aan Allah en als je hulp zoekt, zoek deze dan bij Allah. En weet dat als de (gehele) gemeenschap zich verzamelt om jou van enig voordeel te voorzien, zij daarin niet zullen slagen, behalve als Allah dit voor jou reeds heeft voorgeschreven. En als zij zich verzamelt om jou met iets te benadelen, zij zullen daarin niet slagen, behalve als Allah dit voor jou reeds heeft voorgeschreven. De pennen zijn reeds opgeheven en de geschriften zijn reeds opgedroogd.”

    (Overgeleverd door at-Tirmidhi, die zei dat het een goede en authentieke overlevering is)

    in een andere overlevering dan die van at-Tirmidhi vindt men het volgende:

    “Waak over (de voorschriften van) Allah en je zult Hem voor jou treffen. Zorg dat jij Allah kent in voorspoedige tijden, dan zal Hij jou kennen in tijden van tegenspoed. En weet dat datgene wat jou niet is overkomen, jou nooit had kunnen overkomen. En (weet dat) datgene wat jou is overkomen, nooit aan jou voorbij kon gaan. En weet dan waarlijk dat de overwinning met geduld samengaat en de verlichting met tegenslag en gemak met tegenspoed.” (Overgeleverd door Imam Ahmad)

    Uitleg

    De Profeet wilde de aandacht trekken van Abdoellah ibnoe Abbaas door te zeggen:
    “O jongeman, ik zal je een aantal woorden leren.”

    De betekenis van de volgende uitspraak van de Profeet :
    “Waak over Allah en Hij zal over jou waken,” betekent dat een persoon ervoor moet zorgen dat hij de grenzen van Allah niet te buiten gaat, dat hij de verplichte zaken nakomt en de verboden zaken verlaat. Hiertegenover staat dat Allah dan zal waken over zijn geloof, familie, bezit en ziel, dit omdat Allah Zijn oprechte dienaren beloont op de beste wijze. Hieruit kunnen wij ook opmaken dat degene die niet over de voorschriften van Allah waakt het niet verdient dat Allah over hem waakt.

    De volgende uitspraak van de Profeet :
    “Waak over (de voorschriften van) Allah en je zult Hem voor jou treffen,” duidt op het feit dat degene die zich aan het voorgaande houdt, Allah voor zich zal treffen, Die hem dan zal leiden tot al het goede, hem tot Zich zal doen naderen en hem zal leiden.

    ‘Als je vraagt, vraag dan aan Allah.’ Dit houdt in dat een persoon zich voor al zijn benodigdheden dient te richten tot Allah. Men dient geen ander dan Allah te vragen. Zelfs als iemand een andere persoon om hulp vraagt, dan dient hij te weten dat deze persoon slechts een middel is en dat Allah Degene is Die deze hulp werkelijk verstrekt.

    ‘En als je hulp zoekt, zoek deze dan bij Allah.’ Dit houdt in dat alle nodige hulp die een persoon zoekt bij Allah te vinden is, dit omdat in Zijn Handen de Heerschappij van alles ligt en Hij zal jou helpen als Hij dit wilt. Als je oprecht bent in jouw vertrouwen op Allah, dan zal Hij jou zeker helpen.

    ‘En weet dat als de (gehele) gemeenschap zich verzamelt om jou van enig voordeel te voorzien, zij daarin niet zullen slagen, behalve als Allah dit voor jou reeds heeft voorgeschreven,’ wil zeggen dat als de gehele gemeenschap, de eerste tot en met de laatste, bij elkaar zou komen om jou van enig voordeel te voorzien, dit alleen met de toestemming van Allah zal gebeuren. Hieruit kunnen wij concluderen dat iedere hulp die ons door iemand wordt geboden, in werkelijkheid van Allah afkomstig is.

    ‘En als zij zich verzamelt om jou met iets te benadelen, zij zullen daarin niet slagen, behalve als Allah dit voor jou reeds heeft voorgeschreven.’ Dit leert ons, dat al het slechte wat ons overkomt, reeds voor ons is opgeschreven door Allah. Aanvaard dan ook de Voorbeschikking van Allah, de Verhevene. Het is echter toegestaan om je te weren tegen al het slechte en tegen hen die je schade wensen toe te brengen. Allah zegt:

    “Tegenover een slechte daad staat een slechte daad als beloning.”
    (Soerat ash-Shoeraa’: 40)

    ‘De pennen zijn reeds opgeheven en de Geschriften zijn reeds opgedroogd.’ Met andere woorden, datgene wat Allah, de Verhevene, heeft opgeschreven staat vast en de Woorden van Allah zijn niet te veranderen.

    ‘Zorg dat jij Allah kent in voorspoedige tijden, dan zal Hij jou kennen in tijden van tegenspoed.’ Hiermee wordt bedoeld dat je Allah dient te gedenken in tijden van voorspoed, gezondheid, rijkdom, opdat Hij jou zal gedenken wanneer jouw gezondheid en rijkdom jou in de steek laten. Allah zal je gedenken aan de hand van jouw eerdere verrichtingen.

    ‘En weet dat datgene wat jou niet is overkomen, jou nooit had kunnen overkomen. En (weet dat) datgene wat jou is overkomen, nooit aan jou voorbij kon gaan.’ Oftewel, datgene wat Allah voor jou heeft voorgeschreven zal jou ook ongetwijfeld treffen. En datgene wat Allah niet voor jou heeft voorgeschreven, zal jou ook nooit overkomen. Dit omdat alles in de Handen van Allah ligt. Hieruit kunnen wij opmaken dat eenieder volledig op Allah dient te vertrouwen.

    ‘En weet dan waarlijk dat de overwinning met geduld samengaat.’ Deze uitspraak moedigt de gelovigen aan geduldig te zijn, want geduld komt samen met de overwinning. Men dient dan ook geduldig te zijn wil hij de overwinning behalen.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De goede omgang van de Profeet met zijn metgezellen.

    · Het trekken van de aandacht alvorens iets belangrijks te zeggen.
    Dit op basis van de uitspraak van de Profeet : “O jongeman, ik zal je een aantal woorden leren.”

    · Wie de rechten van Allah verwaarloost, zal door Allah verwaarloosd worden. Allah zegt:

    “En weest niet als degenen die Allah vergaten, waarop (Allah) hen zichzelf deed vergeten. Zij zijn de verdorvenen.” (Soerat al-Hashr: 19)

    · Als de mens hulp nodig heeft, dan dient hij hulp te vragen aan Allah. Er is echter niets op tegen om een ander dan Allah datgene te vragen wat binnen diens vermogen ligt. De Profeet zei: “…En dat jij een man helpt zijn rijdier te bestijgen of om zijn bagage er bovenop te plaatsen is een liefdadigheid.” (al-Boekhaari)

    · Een persoon moet zijn hoop vestigen op Allah en niet op één van Zijn schepselen. Zij zijn niet in staat ons van enig voordeel of nadeel te voorzien.

    · Alles is reeds voorbeschikt en staat vast. De Profeet zei dat Allah alles betreffende de schepping heeft voorbeschikt vijftigduizend jaar voordat Hij de Hemelen en de aarde schiep. (Moeslim)

    · De blijde tijding voor hen die door moeilijke tijden gaan, dat voorspoed in aantocht is.

    Allah zegt:
    “En waarlijk met de tegenspoed komt de voorspoed, waarlijk met de tegenspoed komt de voorspoed.” (Soerat ash-Sharh: 5-6)

    Wanneer je dus door moeilijke tijden gaat, keer je dan tot Allah, de Verhevene, en wacht dan op voorspoedige tijden, zoals Hij heeft beloofd.

    SCROLL_TEXT
  • EERDERE PROFETEN RIEPEN OP TOT SCHAAMTE

    Aboe Masoed Oeqbah ibnoe Amr al-Ansaari al-Badriy overlevert: “De Boodschapper van Allah zei:
    “Waarlijk, datgene wat de mensen zich onder andere herinnerden van de uitspraken van vroegere profeetschappen is; Als je geen schaamte kent, doe dan wat je wilt.”

    (Overgeleverd door al-Boekhaari)

    Uitleg

    Deze overlevering houdt in dat datgene wat is overgebleven van de uitspraken van de eerdere profeten die gestuurd zijn naar hun volkeren, wat tevens door onze Sharieah bevestigd wordt, het volgende is; Als je geen schaamte kent, doe dan wat je wilt.” Met andere woorden: als je geen daden hebt verricht waarvoor je jezelf moet schamen, doe dan wat je wilt. Dit is een van de mogelijke interpretaties. Een andere uitleg is dat als de mens zich toch niet schaamt, hij maar moet doen wat hij niet laten kan en zich niets moet aantrekken. Beide betekenissen zijn mogelijk.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Schaamte behoort tot de zaken waarmee de voorgaande Goddelijke wetgevingen zijn gekomen. De mens behoort altijd eerlijk te zijn en wanneer een daad geen aanleiding vormt tot schaamte, dan dient hij deze gewoon te verrichten. Weliswaar dient hij rekening te houden met de mogelijke nadelen van zo een daad.

    SCROLL_TEXT
  • ALLESOMVATTEND ADVIES

    Aboe Amrah Soefyaan bin Abdoellah ath-Thaqafiy overlevert dat hij het volgende zei:

    “O Boodschapper van Allah, doe mij een uitspraak over de Islam, waarna ik niemand daarover hoef te vragen.” Hij antwoordde: “Zeg: ,,Ik geloof in Allah en houd je hier vervolgens aan vast.” (Overgeleverd door Moeslim)

    Uitleg

    Aboe Amrah Soefyaan bin Abdoellah vroeg de Profeet in deze overlevering om een duidelijke en allesomvattende uitspraak over de Islam, waarna het niet meer nodig zou zijn om een ander hierover om uitleg te vragen. De Profeet antwoordde:
    “Zeg: ,,Ik geloof in Allah en houdt je hier vervolgens aan vast.” Met het geloven wordt hier gedoeld op de hartsovertuiging. Het vervolgens vasthouden aan dit geloof gebeurt door het verrichten van daden van aanbidding.

    De Profeet gaf Aboe Amrah een aantal woorden die het gehele geloof omvatten. Het geloven in Allah betekent; het geloven in al datgene wat Allah over Zichzelf heeft medegedeeld, het geloven in de Dag der Opstanding, het geloven in Zijn Profeten, het geloven in hetgeen Hij heeft nedergezonden en het zich overgeven aan Zijn Voorschriften.

    De woorden van de Profeet ‘houd je hier vervolgens aan vast’ duiden op het feit dat overgave aan de regels van Allah slechts kan geschieden indien er sprake is van ware geloofsovertuiging. Als men dit advies van de Profeet volgt, zal hij ongetwijfeld zegevieren in dit leven en in het Hiernamaals.

    Wat leert deze overlevering ons?

    Men kan vele leringen trekken uit deze overlevering. Een aantal hiervan is:

    · De Metgezellen waren gewoon de Profeet te vragen over hetgeen hen baat in zowel dit leven als in het Hiernamaals.

    · Het geloof alleen is niet voldoende. Er dient daarnaast vastgehouden te worden aan de Voorschriften van Allah.

    · Het geloof is gebaseerd op de overtuiging van het hart en de onderwerping van de ledematen aan de Voorschriften van Allah.

    SCROLL_TEXT
  • HOE KUNNEN WIJ HET PARADIJS BINNENTREDEN?

    Aboe Abdoellah Djaabir ibnoe Abdoellah al-Ansaari overlevert dat een man de Profeet vroeg:
    “Denkt u, dat wanneer ik de voorgeschreven gebeden verricht, de (maand) Ramadan vast, mijzelf de toegestane zaken toesta en mijzelf de verboden zaken verbied en verder niets meer doe, ik dan het Paradijs binnentreed?” Hij zei: “Ja.” (Overgeleverd door Moeslim)

    An-Nawawi heeft gezegd: “En de betekenis van ‘De verboden zaken verbied’ is het vermijden van de Haraam zaken. En ‘mijzelf de toegestane zaken toesta,’ betekent: ik verricht de halaal (zaken) overtuigd van het feit dat deze toegestaan zijn.

    Uitleg

    “Denkt u, dat wanneer ik de verplichte gebeden verricht,” wil zeggen de vijf dagelijkse gebeden en het vrijdaggebed (Salaat ul-Djoemoeah).

    “..De (maand) Ramadan vast.” Ramadan is de maand tussen de Islamitische maand Shabaan en Shawwaal.

    In deze overlevering worden geen Zakaah (armenbelasting) en Hadj (de bedevaart) genoemd. Hieruit kunnen wij opmaken dat deze zijn inbegrepen in de volgende uitspraak van de man:
    “…En mijzelf de verboden zaken verbied.” Het niet geven van de Zakaah is immers een verboden zaak en ook het niet verrichten van de Hadj is haraam.

    Wat ook mogelijk is met betrekking tot de Hadj is dat deze uitspraak van de Profeet waarschijnlijk werd gedaan voordat de Hadj als verplichting werd opgelegd. En wat betreft de Zakaah, de Profeet wist wellicht dat de man arm was en dus geen Zakaah hoefde te betalen. De Profeet paste zijn uitspraak aan, aan de situatie waarin de man verkeerde.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De gedrevenheid van de metgezellen in het stellen van vragen aan de Profeet.

    · Het doel van dit leven is het binnentreden van het Paradijs.

    · Het belang van de verplichte gebeden, die aanleiding zijn voor het binnentreden van het Paradijs, evenals het belang van de overige zaken die genoemd zijn in deze overlevering.

    · Het belang van het vasten.

    · De verplichting van het halaal verklaren van de toegestane zaken en het haraam verklaren van de verboden zaken. Met andere woorden: men moet de toegestane zaken verrichten terwijl hij ervan overtuigd is dat deze toegestaan zijn. En men moet de verboden zaken vermijden omdat men ervan overtuigd is dat deze verboden zijn. Wat betreft de toegestane zaken, men is er vrij in deze wel of niet te verrichten. En wat betreft de verboden zaken, men is verplicht deze te vermijden. Dit moet gepaard gaan met de overtuiging dat dit verboden is.

    · An-Nawawi heeft gezegd:
    “En de betekenis van ‘De verboden zaken ontzeg’ is het vermijden van de Haraam zaken.” Wat hier echter wel toegevoegd moet worden is: “Ik heb de verboden zaken vermeden, vanwege de overtuiging dat deze verboden zijn, en Allah weet het het best.”

    SCROLL_TEXT
  • DE MEERDERE WEGEN DIE LEIDEN NAAR HET GOEDE

    Aboe Maalik al-Haarith ibnoe Aasim al-Ashariy overlevert dat de Profeet heeft gezegd:

    “Reinheid is de helft van het geloof. (Het zeggen van) Alhamdoelillah (Geprezen zij Allah) maakt de weegschaal vol, en (het zeggen van) SoebhaanAllah en Alhamdoelillah (Verheven zij Allah en Geprezen zij Allah) vullen de ruimte tussen de hemel en aarde. Het gebed is licht, liefdadigheid is een bewijs. Geduld is een lichtgloed en de Koran is een getuige vóór jou of tegen jou. Iedereen vertrekt (’s ochtends voor het verrichten van werkzaamheden), om zichzelf te verkopen. Sommigen bevrijden zichzelf hiermee, terwijl anderen zich juist te gronde richten.” (Overgeleverd door Moeslim)

    Uitleg

    “Reinheid is de helft van het geloof.” Dit omdat het geloof bestaat uit het vermijden van de verboden en het zich inlaten met de geboden. Wat betreft het vermijden van de verboden; het betreft hier in het bijzonder het vermijden van polytheïsme. Het toekennen van deelgenoten aan Allah is namelijk een onreine daad, zoals Allah, de Verhevene, duidelijk maakt in Zijn Boek:

    “De veelgodenaanbidders zijn onrein. Laat hen daarom de Masdjid al-Haraam (de Gewijde Moskee in Mekka) niet naderen na dit jaar van hen.” (Soerat at-Tauwbah: 28)

    Om deze reden is de reinheid de helft van het geloof. Er wordt ook gezegd dat met reinheid gedoeld wordt op de kleine wassing. En de reden waarom deze kleine wassing als de helft van het geloof wordt beschouwd, is omdat het gebed een onderdeel is van het geloof en het gebed niet geldig is zonder de kleine wassing. Echter, de eerste interpretatie verdient de voorkeur en is allesomvattender.

    “(Het zeggen van) Alhamdoelillah maakt de weegschaal vol.” Het omschrijven van Allah met prijzenswaardige zaken en met Zijn volmaakte Eigenschappen en Daden maakt de weegschaal van de daden van de dienaar vol. De daden zijn bij Allah, de Verhevene, van zeer groot belang, daarom heeft de Profeet het volgende gezegd: “Twee woorden die geliefd zijn bij De Barmhartige, die licht zijn op de tong, maar zwaar wegen in de weegschaal: SoebhaanAllahi wa Bihamdihi SoebhaanAllah il-Adhiem (Glorieus zij Allah en alle lof zij Hem. Glorieus zij Allah, de Verhevene).”

    “En (het zeggen van) SoebhaanAllah en Alhamdoelillah (Verheven zij Allah en Geprezen zij Allah) vullen de ruimte tussen de hemel en aarde.” Dit wil zeggen: SoebhaanAllah samen met Alhamdoelillah vullen de ruimte tussen de hemel en aarde. Dit vanwege de grootsheid van deze woorden, omdat die elke vorm van tekortkoming die aan Allah wordt toegeschreven verwerpen.
    Ook bevatten zij de bevestiging van Zijn Volmaaktheid. Met Tasbieh (het zeggen van SoebhaanAllah) verheft men Allah boven elke vorm van tekortkoming en met al-Hamd (het zeggen van Alhamdoelillah) beschrijft men Allah met elke vorm van volmaaktheid. Dit is de reden dat deze twee woorden de ruimte tussen de hemel en aarde vullen.

    ‘Het gebed is licht,’ betekent dat het gebed een licht is in het hart, en als het hart licht geeft, zal het gezicht ook licht uitstralen. Het is tevens ook een licht op de Dag des Oordeels. Allah, de Verhevene, zegt:

    “(Gedenkt) de Dag waarop jij de gelovige mannen en de gelovige vrouwen ziet. Hun licht straalt voor hen en rechts van hen.” (Soerat al-Hadied: 12)

    Het gebed is bovendien een licht wat betreft de leiding en kennis die hierin verscholen ligt.

    ‘Liefdadigheid is een bewijs.’ Met andere woorden, dit toont de oprechtheid aan van degenen die liefdadigheid geven, omdat zij graag dichter bij Allah willen komen. Het bezit is namelijk iets wat zeer geliefd is onder de mensen. En men geeft datgene waar hij van houdt alleen uit als dit bestemd is voor iemand waarvan hij nog meer houdt, hopende op het verkrijgen van een beloning. Dit duidt op iemands oprechte geloof en hoge mate van Yaqien (zekerheid in het geloof).

    ‘Geduld is een lichtgloed.’ Geduld is onder te verdelen in drie categorieën:

    1. Het hebben van volharding in het gehoorzamen van Allah, de Verhevene.

    2. Het hebben van geduld om het begaan van zonden te vermijden.

    3. Het hebben van geduld wanneer men getroffen wordt door de Voorbeschikking van Allah.

    Een lichtgloed staat voor licht met hitte, zoals Allah, de Verhevene, heeft gezegd:

    “Hij is Degene Die de zon heeft gemaakt tot een lichtgloed en de maan tot een licht.” (Soerat Yoenoes: 5)

    De zon bevat licht en hitte en het geduld eveneens, want het brengt veel vermoeienis mee voor een persoon. Men heeft het dan net zo zwaar bij het tonen van geduld, als met de hitte en de felle stralen van de zon.

    ‘En de Koran is een getuige vóór jou of tegen jou.’ Dit wil zeggen, de Koran is een getuige vóór jou bij Allah, de Verhevene. Wanneer je ernaar handelt, zal het een getuige vóór jou zou. Wend jij je daarentegen ervan af, dan zal het een getuige tegen jou zijn.

    Vervolgens maakt de Profeet duidelijk dat iedereen met zijn dag begint. Met andere woorden, men gaat ‘s morgens naar het werk ‘om zichzelf te verkopen. Sommigen bevrijden zichzelf hiermee, terwijl anderen zich juist te gronde richten.’ Als men daden van gehoorzaamheid verricht en standvastig is in Zijn religie, dan zal hij zichzelf daarbij bevrijden. Men wordt dan bevrijd van de slavernij van de shaytaan en zijn begeerten. Doet men het tegenovergestelde, dan zal men zichzelf te gronde richten.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Het aanmoedigen tot reinheid en het aantonen van de positie ervan in de Islam en dat dit de helft is van de Imaan.

    · Het aanmoedigen tot het prijzen en verheffen van Allah (zeggen van Alhamdoelillah en SoebhaanAllah). Dit vult de weegschaal, en samen vullen zij de ruimte tussen de hemel en aarde.

    · Het aansporen tot het verrichten van het gebed. Het gebed is een licht en het opent de deuren naar kennis en begrip.

    · Het aansporen tot het geven van liefdadigheid. Dit dient als indicatie van oprecht geloof van degene die liefdadigheid uitgeeft.

    · Het aansporen tot geduld, dat een lichtgloed is. Men doorstaat, door geduld op te brengen, behoorlijke ontberingen, wat ook het geval is bij hitte.

    · De Koran is een getuige voor óf tegen iemand. En er is geen tussenweg. Wij vragen Allah om de Koran tot een getuige vóór ons te maken en het ons van nut te laten zijn.

    · Men dient altijd bezig te zijn met het verrichten van werkzaamheden. Dit op basis van de uitspraak van de Profeet :
    “Iedereen vertrekt (’s ochtends voor het verrichten van werkzaamheden).”

    · Er is tevens overgeleverd dat de Profeet heeft gezegd: “De best bijpassende namen (voor een persoon) zijn Haarith (ploeger) en Hammaam (iemand die ambitieus is).”

    Ieder mens is immers bij wijze van spreken een ploeger (werker) en ambitieus.

    · De werker zal zichzelf óf bevrijden of zichzelf te gronde richten. Verricht men daden van gehoorzaamheid aan Allah en vermijdt men de zonden, dan heeft men zichzelf weten te bevrijden van zijn begeerten en de shaytaan. Anders zal men zichzelf te gronde richten.

    · Er is sprake van ware vrijheid wanneer men de daden van gehoorzaamheid aan Allah verricht, en niet wanneer men zichzelf de vrije loop geeft om al datgene te doen waar hij zin in heeft. Hierover zegt Ibn ul-Qayyim in zijn gedichtenbundel an-Noeniyyah:

    “Zij zijn gevlucht voor het dienen (van Allah), waarvoor zij werkelijk zijn geschapen en werden daarop beproefd met het dienen van de Nafs en de shaytaan.”

    Iedereen die vlucht voor de aanbidding van Allah, zal terechtkomen in de slavernij van shaytaan om hem vervolgens te aanbidden.

  • DE DEUGD VAN HET GEDENKEN VAN ALLAH

    Aboe Dharr verhaalt dat een aantal mensen van de metgezellen van de Boodschapper van Allah tegen de Profeet zeiden:

    “O Boodschapper van Allah, de vermogende mensen zijn er met de beloningen vandoor gegaan. Zij bidden zoals wij bidden, zij vasten zoals wij vasten en geven liefdadigheid uit van hun overtollige bezit.” Hij (De Profeet ) zei: “Heeft Allah jullie niet in staat gesteld liefdadigheid te geven? Waarlijk, elke Tasbiehah is liefdadigheid. Elke Takbierah is liefdadigheid. Elke Tahmiedah is liefdadigheid. Elke Tahlielah is liefdadigheid.
    Het aansporen tot het goede is liefdadigheid.
    Het weerhouden van het verwerpelijke is liefdadigheid. En de geslachtsdaad van eenieder van jullie (tijdens de huwelijksgemeenschap) is liefdadigheid.”

    Zij vroegen: “O Boodschapper van Allah, iemand van ons bevredigt zijn seksuele begeerten en nog komt hem daarvoor beloning toe? Hij zei: “Wat denken jullie als hij het op verboden wijze zou hebben gedaan: zou hem dan geen bestraffing toekomen? Zo ook komt hem een beloning toe als hij het op de toegestane wijze doet.”
    (Overgeleverd door Moeslim)

    Uitleg

    Aboe Dharr ا verhaalt dat een aantal mensen van de metgezellen van de Boodschapper van Allah tegen de Profeet zeiden: “O Boodschapper van Allah, de vermogende mensen zijn er met de beloningen vandoor gegaan.” Het betreft hier enkele arme metgezellen.

    ‘De vermogende mensen zijn er met de beloningen vandoor gegaan.’ Oftewel, de beloningen zijn alleen aan hen besteed. ‘Zij bidden zoals wij bidden, zij vasten zoals wij vasten en geven liefdadigheid uit van hun overtollige bezit.’ Zij hebben het gebed en het vasten met de armen gemeen maar zij overtreffen hen in het uitgeven van liefdadigheid.

    ‘Hij (De Profeet ) zei:
    “Heeft Allah jullie niet in staat gesteld liefdadigheid te geven?” Toen de armen hun beklag bij de Profeet kwamen doen over het feit dat de vermogende mensen er met de beloningen vandoor gingen, aangezien zij ook het gebed verrichten en vasten maar daarboven uitgeven aan liefdadigheid, terwijl de armen hiertoe niet in staat zijn, gaf de Profeet hen duidelijk aan wat voor soort liefdadigheid zij wel kunnen uitgeven, door te zeggen:
    “Waarlijk, elke Tasbiehah is liefdadigheid.” Dit staat voor het zeggen van ‘Soebhaan Allah’ (Allah zij verheven). ‘Elke Takbierah is liefdadigheid’ Dit staat voor het zeggen van ‘Allaahoe Akbar’ (Allah is de Grootste). ‘Elke Tahmiedah is liefdadigheid.’ Dit staat voor het zeggen van ‘Alhamdoe lillah’ (Allah zij geprezen). ‘Elke Tahlielah is liefdadigheid.’ Dit staat voor het zeggen van ‘Laa ilaaha ill-Allah’ (Niets of niemand heeft het recht aanbeden te worden, behalve Allah).

    ‘Het aansporen tot het goede is liefdadigheid.’ Oftewel, wanneer de moslim iemand aanspoort tot het gehoorzamen van Allah, dan is dit liefdadigheid.

    ‘Het weerhouden van het verwerpelijke is liefdadigheid.’ Wanneer de moslim iemand weerhoudt van het verrichten van datgene wat de Islam verafschuwt, dan is dit liefdadigheid.

    ‘En de geslachtsdaad van eenieder van jullie (tijdens huwelijksgemeenschap) is liefdadigheid.’ wanneer de man tot zijn vrouw komt, dan is dit liefdadigheid. Tot al deze zaken zijn de armen wel in staat.

    ‘Zij vroegen: “O Boodschapper van Allah, iemand van ons bevredigt zijn seksuele begeerten en nog komt hem daarvoor beloning toe?’ Zij vroegen dit slechts ter bevestiging van de vorige uitspraak van de Profeet : “En de daad van één van jullie tijdens huwelijksgemeenschap is liefdadigheid,” en niet omdat zij daaraan twijfelden. Want zij wisten heel goed dat alles wat de Profeet zegt waarheid is. Een soortgelijk iets is de volgende uitspraak van de Profeet Zakariyyah :
    “O mijn Heer, hoe kan ik een jongen krijgen, terwijl ik oud ben geworden en mijn vrouw onvruchtbaar is.” (Soerat Aali-Imraan: 40)

    Hij wilde dit slechts bevestigen en wilde zich hiervan vergewissen, terwijl hij niet twijfelde aan het feit dat Allah in staat is om hem van een zoon te voorzien en hij hier met zekerheid in geloofde.

    ‘Hij zei: “Wat denken jullie als hij het op verboden wijze zou hebben gedaan: zou hem dan geen bestraffing toekomen?’ Het antwoord hierop luidt: “Ja, hem zou een bestraffing toekomen.”

    Vervolgens zei hij :
    “Zo ook komt hem een beloning toe als hij het op de toegestane wijze doet.” Deze vorm van analogie wordt ook wel eens de analogie van het tegenovergestelde genoemd. Dat wil zeggen: zoals men bij het verrichten van verboden zaken een bestraffing toekomt, komt men bij het verrichten van toegestane zaken een beloning toe.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De mate waarin de metgezellen met elkaar wedijverden in het verrichten van goede daden.
    · Het is wenselijk dat wanneer iemand iets noemt, hij dit vervolgens verduidelijkt. Toen de metgezellen zeiden:
    “De vermogende mensen zijn er met de beloningen vandoor gegaan,” maakten zij dit vervolgens duidelijk door te zeggen: “Zij bidden zoals wij bidden, enz.”

    · Elke uitspraak die de persoon dichter bij Allah brengt is liefdadigheid. Zoals de Tasbieh, Tahmied, Takbier, Tahliel, het aansporen tot het goede en het weerhouden van het verwerpelijke.

    · Het belang van het aansporen van de mensen om deze lofprijzingen veelvoudig te zeggen, want elk woord daarvan wordt beschouwd als liefdadigheid waardoor men dichter tot Allah, de Verhevene, komt.

    · Het volstaan met toegestane zaken in plaats van verboden zaken maakt toegestane zaken tot liefdadigheid en tot daden waarmee men dichter bij Allah komt. Dit op basis van de volgende uitspraak van de Profeet :
    “En de daad van één van jullie tijdens huwelijksgemeenschap is liefdadigheid.”

    · Het toestaan van het verifiëren van een bericht, al komt dit van een geloofwaardige persoon. Dit op basis van de uitspraak van de metgezellen:
    “O Boodschapper van Allah, iemand van ons bevredigt zijn seksuele begeerten en nog komt hem daarvoor beloning toe?”

    · De didactische vaardigheden van de Profeet die op een vragende wijze de zaak verheldert, zodat de toegesproken persoon hierdoor overtuigd raakt en gemoedsrust vindt.

    Hiertoe behoort ook de uitspraak van de Profeet nadat hij door de metgezellen werd gevraagd over het verkopen van rijpe zoete dadels gemengd met gewone gedroogde dadels. Hij vroeg hen toen:
    “Daalt het (de rijpe zoete dadels) in waarde als het droog wordt?” Zij antwoordden: “Ja!” Waarop hij hen dit verbood.

    SCROLL_TEXT
  • HET DANKBAAR ZIJN VOOR ALLAH ZIJN GUNSTEN

    Aboe Hoerayrahoverlevert dat de Profeet heeft gezegd:

    “Elke been van de mens moet elke dag dat de zon opkomt liefdadigheid verrichten. Het brengen van rechtvaardigheid tussen twee mensen is liefdadigheid. En een man helpen met zijn rijdier, hem erop helpen of voor hem zijn bagage erop laden is liefdadigheid. En een goed woord is liefdadigheid. En elke stap die je neemt (naar de moskee) om het gebed te verrichten is liefdadigheid. En iets schadelijks van de weg verwijderen is liefdadigheid.” (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

    Uitleg

    ‘Elke been van de mens moet elke dag dat de zon opkomt liefdadigheid verrichten.’ Met andere woorden, elk deel van het gebeente van de mens moet liefdadigheid verrichten.

    ‘…Elke dag dat de zon opkomt.’ Dit betekent dat elk deel van het gebeente iedere dag dat de zon opkomt liefdadigheid dient te verrichten, als dankbetuiging aan Allah, de Verhevene, voor de gift van gezondheid en het instandhouden ervan. Liefdadigheid verrichten is niet alleen maar bezittingen uitgeven, maar er zijn ook andere manieren, zoals:

    ‘Het brengen van rechtvaardigheid tussen twee mensen is liefdadigheid.’ Met andere woorden, je ziet twee mensen ruziën en je oordeelt rechtvaardig tussen hen. Dit behoort overigens tot de beste liefdadigheden, dit op basis van de volgende vers uit de Koran:

    “Er is geen goeds in veel van hun heimelijke gesprekken, behalve wie aanmaant tot liefdadigheid of het goede of verzoening tussen de mensen.” (Soerat an-Nisaa’: 114)

    ‘En een man helpen met zijn rijdier, hem erop helpen of voor hem zijn bagage erop laden is liefdadigheid.’ Het behoort ook tot liefdadigheid dat jij jouw broeder helpt met zijn rijdier, door hem te helpen met opstappen, zodat hij hierop kan zitten als hij daartoe niet zelf in staat is. Of je laadt voor hem zijn spullen, ofwel bagage op het rijdier. Dit is tevens een weldaad en Allah houdt van weldoeners.

    ‘En een goed woord is liefdadigheid.’ Het goede woord is elk woord dat jou dichter bij Allah brengt, zoals de tasbieh, tahliel, takbier, tahmied, het goede aanbevelen en het slechte verbieden, het reciteren van de Koran, het opdoen van Islamitische kennis etc. Dus elk goed woord is liefdadigheid.

    ‘En elke stap die je neemt (naar de moskee) om het gebed te verrichten is liefdadigheid. En iets schadelijks uit de weg ruimen is liefdadigheid.’ Al-Boekhaariy en Moeslim verhalen in een overlevering op autoriteit van Aboe Hoerayrah ا dat als iemand thuis de Woedoe’ (de kleine wassing) op de beste wijze verricht en vervolgens uit huis gaat naar de moskee -en dat het gebed de enige reden is waarvoor hij erop uittrekt- hij geen één stap zet, of Allah zal hem daarmee in graad verheffen en zal (ook) daarmee een slechte daad voor hem uitwissen.

    ‘En iets schadelijks van de weg verwijderen is liefdadigheid.’ Iets schadelijks houdt alles in wat een weggebruiker kan hinderen zoals water, stenen, glas of doornen enz, ongeacht of dat op de grond of ergens op ligt. Als er bijvoorbeeld ergens boomtakken hangen die de mensen hinderen en jij deze vervolgens op de een of andere manier verwijdert, dan is dit een daad van liefdadigheid.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Ieder mens dient elke dag dat de zon opkomt evenveel liefdadigheid te verrichten als het aantal beenderen. Er wordt gezegd dat er driehonderd zestig beenderen zijn. En Allah weet het het best.

    · Alles wat een dienaar dichter bij Allah brengt, waaronder de daden van aanbidding en het op de beste wijze behandelen van Allah Zijn schepselen, is een daad van liefdadigheid. En wat de Profeet in deze overlevering genoemd heeft, zijn hier slechts voorbeelden van. In een andere overlevering wordt het volgende vermeld:
    “Het volstaat om daarvoor in de plaats (het verrichten van liefdadigheid voor alle beenderen) twee Rakah te verrichten van adh-Doehaa (vrijwillig gebed dat kort na de zonsopgang wordt

    SCROLL_TEXT

    verricht).”

  • GOEDHEID IS HET GOEDE GEDRAG

    An-Nawwaas ibnoe Samaan overlevert dat de Profeet heeft gezegd:

    “Goedheid is het goede gedrag en de zonde is datgene wat onrust in jezelf opwekt en waar jij niet van houdt dat anderen ervan op de hoogte komen.”
    (Overgeleverd door Moeslim)

    Waabisah ibnoe Mabad heeft gezegd:

    “Ik kwam bij de Profeet waarop hij mij vroeg:
    “Ben je gekomen om te vragen over goedheid?” Ik zei: “Ja.” Hij zei: “Raadpleeg je hart. Goedheid is datgene waarbij jouw ziel en jouw hart zich gerust voelen en de zonde is datgene wat onrust in jezelf opwekt en wat in je borst stokt, zelfs al hebben de mensen jou (hierover) een uitspraak gedaan en dit nog eens doen.”

    (Dit is een goede overlevering die wij overgeleverd hebben gekregen in de twee Moesnads van de Imams Ahmad ibnoe Hanbal en Ad-Daarimi met een goede keten van overleveraars.)

    Uitleg
    An-Nawwaas ibnoe Samaan ا overlevert dat de Profeet heeft gezegd:
    “Goedheid is het goede gedrag.”

    Goedheid is een woord dat duidt op goedertierenheid en goed gedrag. Dat wil zeggen, de mens is ruimdenkend, ruimhartig, heeft een geruststellend hart en goede omgangsvormen. De Profeet heeft gezegd dat goedheid het goede gedrag is. En als de mens goed gedrag toont tegenover Allah en de dienaren van Allah, zal men steeds meer van het goede verkrijgen, zijn borst zal verruimd worden voor de Islam, zijn hart zal gerustgesteld worden middels het geloof en hij zal op een goede manier met de mensen omgaan.

    Wat betreft de zonde, de Profeet heeft dit verduidelijkt, zeggende:
    “(Het) Is datgene wat onrust in jezelf opwekt,” Hij sprak hier An-Nawwaas ibnoe Samaan aan terwijl deze een vrome metgezel van de Profeet is bij wie geen onrust en twijfels aanwezig waren. Niets bij hem bracht hem onrust of het was een zonde, daarom heeft hij gezegd:
    “Zonde is datgene wat onrust in jezelf opwekt en waar jij niet van houdt dat anderen ervan op de hoogte komen.”

    Wat betreft de zwaar zondigen, de zonden wekken bij hen helemaal geen onrust op, noch hebben zij er een afkeer van als mensen hiervan op de hoogte komen. Erger nog, een aantal van hen staat zelfs daarmee te springen en vertelt aan anderen wat zij aan verdorvenheden en zonden begaan.

    Het gesprek was daarentegen met een rechtschapen man, die in zichzelf onrust en ongemak ervoer en er niet van hield dat mensen ervan op de hoogte zouden komen als hij maar slechts op het punt stond om te zondigen. Deze uitspraak die de Profeet heeft gedaan, slaat op de edelmoedige en rechtschapen mensen. Waabisah ibnoe Mabad heeft in een soortgelijke overlevering gezegd:
    “Ik kwam bij de Profeet waarop hij mij vroeg: “Ben je gekomen om te vragen over de goedheid?” Ik zei: “Ja.” Hij zei: “Raadpleeg je hart.”

    Dat wil zeggen vraag het niemand, maar vraag het jouw hart en verzoek het om jou een uitspraak (fatwaa’) te doen. Goedheid is dan ook datgene waarbij jouw ziel en jouw hart zich gerust voelen. Wanneer jij in jouw ziel en hart een geruststellend gevoel krijgt over iets, dan is datgene rechtschapen. Verricht dit dan ook!

    ‘En de zonde is datgene wat onrust in jezelf opwekt.’ Wanneer jij dus het gevoel krijgt dat iets in jouw ziel onrust en ongemak veroorzaakt en het in jouw borst stokt, dan is datgene een zonde.

    Zelfs al hebben de mensen jou (hierover) een uitspraak gedaan en dit nog eens doen.’ Dit wil zeggen, ook al hebben de mensen voor jou een uitspraak gedaan over iets dat zij niet als zonde beschouwen en blijven zij dit keer op keer doen. Het komt trouwens vaak voor, dat men twijfelt aan iets en dit tot onrust leidt. Vervolgens hoort men van anderen woorden als: “Dat is toegestaan en daar is niets op tegen,” maar dit verruimt zijn borst niet en wekt en brengt hem geen gemoedsrust. Hierover zegt men dat dit soort zaken zonden zijn. Vermijd dit dan ook!

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De deugd van het goede gedrag, aangezien de Profeet zei dat het goede gedrag staat voor rechtschapenheid.

    · De wijze waarop je de zonde kunt detecteren, dit zorgt namelijk voor onrust in jezelf en in je hart.

    · De gelovige houdt er niet van dat mensen achter zijn fouten komen, in tegenstelling tot de onachtzame die zich daar niet druk om maakt. Bovendien interesseert het hem niet als mensen achter zijn fouten komen.

    · De scherpzinnigheid van de Profeet , want toen Waabisah bij hem aankwam, vroeg hij hem: “Ben je gekomen om te vragen over goedheid?”

    · Het overlaten van een wetsoordeel over iets aan een gerustgesteld hart dat een afkeer heeft van het kwaad en van het goede houdt. Dit op basis van de uitspraak van de Profeet : “Goedheid is datgene waarbij jouw ziel en jouw hart zich gerust voelen.”

    · Het is wenselijk dat iemand kijkt naar wat er in zichzelf schuilt, zonder dat mensen hem van een religieuze uitspraak voorzien. Het is mogelijk dat mensen die geen kennis hebben hem een goedkeurende uitspraak doen over bepaalde zaken, terwijl hij daaraan twijfelt en hij er een afkeer van heeft. Zo iemand moet niet terugvallen op de uitspraken van mensen, maar hij moet terugvallen op datgene wat in zichzelf schuilt.

    · Wanneer de mogelijkheid bestaat voor een Ijdihaad (het zich inspannen om tot een Islamitisch juridische uitspraak te komen), dan mag men in dit geval niet overstappen op Taqlied (het blindelings volgen), dit op basis van de volgende uitspraak:
    “Zelfs al hebben de mensen jou (hierover) een uitspraak gedaan en dit nog eens doen.”

  • DE AFSCHEIDSPREEK

    Aboe Nadjieh al-Irbaad ibnoe Saariyah overlevert:
    “De Profeet sprak ons eens toe waardoor de harten sidderden en de tranen plengden. Toen zeiden wij (de metgezellen): ,,O Boodschapper van Allah, dit heeft veel weg van een afscheidspreek. Geef ons daarom advies. Hij zei: ,,Ik adviseer jullie godsvruchtig te zijn, gehoor te geven en te gehoorzamen, zelfs al wordt een slaaf als leider over jullie aangesteld. Waarlijk, wie van jullie (na mij) in leven zal zijn, zal veel verschillen waarnemen. Houdt jullie dan ook vast aan mijn handelswijze en de handelswijze van de rechtgeleide en rechtschapen kaliefen. Bijt jullie erin vast met de (achterste) kiezen en waakt jullie voor nieuwlichterijen. Want waarlijk elke (religieuze) innovatie is een afdwaling.”

    (Overgeleverd door Aboe Daawoed en at-Tirmidhi, die zei dat het een goede en authentieke overlevering is.)

    Uitleg

    “De Profeet sprak ons eens toe.” Een toespraak, oftewel al-Wadh in het Arabisch is een vorm van aanmaning die gepaard gaat met at-Targhieb (het verroeren van de verlangens) en at-Tarhieb (het beroeren van het gemoed). De Profeet pleegde zij zijn metgezellen van tijd tot tijd toe te spreken, zonder hen hiermee te overstelpen uit angst voor eentonigheid en verveling.

    “Waardoor de harten sidderden en de tranen plengden.” Met andere woorden, de harten werden gevuld met angst waardoor er tranen met tuiten werden gehuild.

    “Toen zeiden wij (de metgezellen):
    ,,O Boodschapper van Allah, dit heeft veel weg van een afscheidspreek. Geef ons daarom advies.” Dit omdat een afscheidspreek doorgaans gekenmerkt wordt door doeltreffendheid en effectiviteit. “Hij zei: ,,Ik adviseer jullie godsvruchtig te zijn.”

    Dit geeft blijk van de inzicht van de metgezellen, die deze gelegenheid aangrepen om aanbevelingen te mogen ontvangen van de Profeet over het goede. Hij droeg hen op godsvruchtig te zijn. Godsvrucht staat voor het opwerpen van een bescherming tegen de bestraffing van Allah, dit door middel van het verrichten van Zijn geboden en het vermijden van Zijn verboden. Dit behoort tevens tot de Rechten van Allah, de Verhevene.

    ‘Gehoor te geven en te gehoorzamen.’ Dit wil zeggen, het gehoorzamen van de gezaghebbers. Oftewel, het luisteren naar wat zij zeggen, uitvoeren van datgene wat zij jullie bevelen en vermijden van datgene wat zij jullie verbieden.

    ‘Zelfs al wordt een slaaf als leider over jullie aangesteld.’ Zelfs al is de gezaghebber een slaaf, dan nog dienen jullie naar hem te luisteren en hem te gehoorzamen. Dit is ook de algemene strekking van het volgende vers:

    “O jullie gelovigen, gehoorzaamt Allah en gehoorzaamt de Boodschapper en degenen met gezag onder jullie.” (Soerat an-Nisaa’: 59)

    ‘Waarlijk, wie van jullie (na mij) in leven zal zijn, zal veel verschillen waarnemen.’ Oftewel, wie van jullie een lang leven beschoren is, zal veel verschillen zien. Dit heeft inderdaad plaatsgevonden, zoals de Profeet voorspelde. Zo vonden er veel verschillen in opvattingen plaats in het tijdperk van de overgebleven metgezellen. Waarop de Profeet ons het advies gaf ons te houden aan zijn handelswijze en die van de rechtgeleide en oprechte kaliefen. De kaliefen die de Profeet opvolgden in het voorgaan van zijn gemeenschap wat betreft kennis, aanbidding en predikatie. In het bijzonder de vier vermaarde kaliefen: Aboe Bakr, Oemar, Oethmaan en Ali.

    “De rechtgeleide” is een onomstotelijke omschrijving, want iedere rechtgeleide is per definitie van zelfsprekend trefzeker. “Rechtschapen” houdt in dat Allah, de Verhevene, deze persoon heeft geleid naar de Weg van de Waarheid.

    ‘Bijt jullie erin vast met de (achterste) kiezen.’ Dit is een metaforische uitdrukking waarmee aangegeven wordt dat men zich stevig vast dient te klampen aan de handelswijzen van de Profeet en de rechtgeleide, rechtschapen kaliefen.

    Vervolgens waarschuwde de Profeet voor de nieuwlichterijen, zeggende:
    “waakt jullie voor nieuwlichterijen..” met andere woorden: ik waarschuw jullie voor de religieuze innovaties. Dit zijn zaken die aan de Islam worden toegekend, zonder enig religieus bewijs. Dus toen de Profeet opdroeg om zich te houden aan de Soennah, waarschuwde hij tegelijkertijd voor de religieuze innovaties, zeggende:
    “Want waarlijk elke (religieuze) innovatie is afdwaling.”

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De aandacht van de Profeet voor het vermanen van zijn metgezellen. Hij was in staat om middels ontroerende preken de harten te verroeren en de tranen te doen plengen.

    · Het is wenselijk voor iemand die afscheid neemt en op het punt staat zijn broeders te verlaten, om een is het wenselijk dat hij hen predikt met een beïnvloedbare en sterke preek, die als aandenken voor hen zal zijn, dit omdat de preken tijdens het afscheid niet vergeten worden.

    · Het aanbevelen van godsvrucht. Deze aanbeveling is overigens de aanbeveling van Allah voor de eerste voorgangers en de laatste. Dit op basis van de volgende uitspraak van Allah:

    “En voorwaar, Wij hebben degenen die de Schrift vóór jullie gegeven was opgedragen, en ook jullie, om Allah te vrezen.” (Soerat an-Nisaa’: 131)
    . Het aanbevelen om gehoor te geven aan de gezaghebbers en hen te gehoorzamen. Daartoe heeft Allah het bevel gegeven in Zijn volgende Uitspraak:

    “O jullie gelovigen, gehoorzaamt Allah en gehoorzaamt de Boodschapper en degenen met gezag onder jullie.” (Soerat an-Nisaa’: 59)
    · Dit geldt echter alleen onder de voorwaarde dat er geen opdracht wordt gegeven tot het verrichten van een daad die leidt tot ongehoorzaamheid aan Allah. Mocht de gezaghebber opdracht geven tot het verrichten van een daad die leidt tot ongehoorzaamheid, dan mag men daar geen gehoor aan geven. Er is immers geen sprake van gehoorzaamheid als deze tot ongehoorzaamheid aan Allah leidt. Dit op basis van de volgende uitspraak van de Profeet :
    “Waarlijk, er kan slechts sprake zijn van gehoorzaamheid indien het (een zaak van) goedheid betreft.”

    In het licht van het voorgaande wordt ons duidelijk wat Allah bedoeld met de woorden “O jullie gelovigen, gehoorzaamt Allah en gehoorzaamt de Boodschapper en degenen met gezag onder jullie.” Het betekent namelijk dat gehoorzaamheid aan de gezaghebbers een voorwaardelijke gehoorzaamheid is die inherent verbonden is aan de gehoorzaamheid van Allah en Zijn Boodschapper .

    · De aandacht die de Profeet had voor het vermanen van zijn metgezellen evenals voor het overbrengen van de Islamitische voorschriften. Zijn predikatie was van zo een danige wijze dat dit de harten verroerde.

    · Het is wenselijk dat een prediker effectieve en ontroerende preken houdt. Weliswaar dient hij ervoor te waken geen zwakke of verzonnen overleveringen aan te halen. Sommige predikers kiezen bewust voor zwakke en verzonnen overleveringen onder het mom van het raken van de harten. Terwijl zij vergeten zijn dat de Profeet heeft gezegd:
    “Wie op mijn autoriteit een overlevering verhaalt, waarvan hij denkt dat deze een leugen is, dan behoort hij tot de leugenaars.” (Moeslim)

    · Als iemand op het punt staat zijn vrienden en broeders te verlaten, dan is het wenselijk om hen aan de hand van een preek te vermanen dit op basis van de volgende woorden:
    “Dit heeft veel weg van een afscheidspreek.”

    · Het vragen van advies aan de geleerden.

    · Er is geen beter en volmaakter advies dan het advies godsvruchtig te zijn.

    “En voorwaar, Wij hebben degenen die de Schrift vóór jullie gegeven was opgedragen, en ook jullie, om Allah te vrezen.” (Soerat An-Nisaa’: 131)

    · Het advies om gehoor te geven aan de gezaghebbers en hen te gehoorzamen, zelfs al zouden zij slaven zijn. Dit op basis van de volgende uitspraak van de Profeet :
    “Gehoor te geven en te gehoorzamen, zelfs al wordt een slaaf als leider over jullie aangesteld.”

    Dit omdat gehoorzaamheid aan hen de mensen van veel kwaads en anarchie zal behoeden.

    · Het uitkomen van één van de voorspellingen van de Profeet , daar hij gezegd heeft:
    “Waarlijk, wie van jullie (na mij) in leven zal zijn, zal veel verschillen waarnemen.” Het zich voordoen van meningsverschillen heeft zich inderdaad na de dood van de Profeet plaatsgevonden en is meegemaakt door een groep onder de metgezellen.

    · Men dient zich vast te klampen aan de Soennah van de Profeet . In het bijzonder ten tijde van meningsverschillen en disputen. Vandaar dat hij zei:
    “Houdt jullie dan ook vast aan mijn handelswijze.”

    · Het waarschuwen voor nieuwlichterijen inzake het geloof. Wat betreft de vernieuwingen in wereldse zaken, deze dienen onder de loep genomen te

    worden: als deze een voordeel met zich mee brengen, dan is hier niets op tegen.

    Betreft het hier echter religieuze innovaties, dan dient hiertegen gewaarschuwd te worden.
    Dit ter voorkoming van disputen en verdeeldheid van de gemeenschap.

    · Elke religieuze innovatie (bidah) is een afdwaling. Er bestaat niet zoiets als een goede bidah, zoals sommigen beweren. Het is juist zo dat religieuze innovaties afdwalingen zijn. Het beschouwen van een religieuze innovatie als iets goeds, kan het gevolg zijn van het volgende: of het betreft hier in werkelijkheid geen religieuze innovatie, terwijl men in de veronderstelling is dat dit wel het geval was, of het betreft hier een innovatie die niet goed is, terwijl men vindt dat dit wel het geval is. Echter, dat iets een religieuze innovatie is en tegelijkertijd als goed wordt beschouwd, is onmogelijk. Dit op basis van de uitspraak van de Profeet :
    “Want waarlijk elke (religieuze) innovatie is een afdwaling.”

    SCROLL_TEXT
  • DE WEGEN NAAR HET PARADIJS

    Moeaadh ibnoe Djabal heeft overgeleverd: “Ik vroeg:

    “O Boodschapper van Allah, vertel mij over een daad die mij het Paradijs doet binnentreden en die mij weghoudt van het Hellevuur.” Hij (de Profeet ) zei: “Waarlijk, je hebt over iets groots gevraagd dat gemakkelijk is (te realiseren) voor degene voor wie Allah, de Verhevene, dit gemakkelijk heeft gemaakt: je dient Allah te aanbidden zonder Hem deelgenoten toe te kennen, het gebed te onderhouden, de Zakaah (armenbelasting) te betalen, (de maand) Ramadan te vasten en de Haddj (de bedevaart) te verrichten.”
    Vervolgens vroeg hij :
    “Zal ik jou de deuren naar het goede aanwijzen? Het vasten is een schild, (het geven van) liefdadigheid blust de zonden zoals water het vuur uitdooft en eveneens het gebed van een man in de holst van de nacht.”

    Hierna reciteerde hij :
    “Hun zijden mijden de slaapplaatsen, zij roepen hun Heer aan, vrezend en hopend. En zij geven uit van datgene waar Wij hun mee voorzagen. En geen ziel weet welke verkoeling van de ogen voor hen verborgen wordt gehouden, als beloning voor wat zij pleegden te doen.” (Soerat as-Sadjdah: 16-17)

    Vervolgens vroeg hij : “Zal ik jou vertellen over de hoofdzaak, de zuil en het hoogtepunt hiervan?” Ik antwoordde: “Jazeker, O Boodschapper van Allah.” Hij zei: “De hoofdzaak is de Islam en de zuil ervan is het gebed en het hoogtepunt hiervan is de Djihaad.”
    Verder vroeg hij : “Zal ik jou vertellen hoe jij dit allemaal kunt beheersen?” Ik antwoordde: “Jazeker, O Boodschapper van Allah.” Hij pakte zij tong beet en zei: “Beheers dit.” Ik vroeg: “O Profeet van Allah, worden wij dan verantwoordelijk gehouden voor datgene wat wij uitspreken?” Hij zei: “Had je moeder jou maar verloren! Waardoor zouden de mensen anders op hun gezichten -of hij zei- op hun neuzen in het Hellevuur worden geworpen dan door de oogsten van hun tongen?”
    (Overgeleverd door at-Tirmidhi, die zei dat het een goede en betrouwbare overlevering is.)

    Uitleg

    Moeaadh ibnoe Djabal ا heeft overgeleverd: “Ik vroeg: ,,O Boodschapper van Allah, vertel mij over een daad die mij het Paradijs doet binnentreden en die mij weghoudt van het Hellevuur.”

    Het Paradijs is de plaats die Allah, de Verhevene, klaar heeft gemaakt voor Zijn godsvruchtige dienaren. Daarin bevindt zich datgene wat geen oog ooit heeft gezien, wat geen oor ooit heeft gehoord en wat nooit bij iemand is opgekomen.

    De Hel daarentegen is de plaats die Allah, de Verhevene, klaar heeft gemaakt voor de ongelovigen. Daarin bevindt zich de zware foltering. Dit is in het algemeen bekend vanuit de Koran en de Soennah.

    Hij, Moeaadh ibnoe Djabal, vroeg over deze zaak, omdat dit voor hem het allerbelangrijkste was. En voor iedere gelovige zou het binnentreden van het Paradijs en het verwijderd blijven van de Hel het allerbelangrijkste streven moeten zijn. Dit is immers de beste overwinning, zoals Allah, de Verhevene, zegt:

    “En wie van de Hel weggehouden wordt en het Paradijs binnengeleid wordt heeft waarlijk gewonnen.” (Soerat Aali Imraan: 185)
    “Hij (de Profeet ) zei: ,,Waarlijk, je hebt over iets groots gevraagd dat gemakkelijk is (te realiseren) voor degene voor wie Allah, de Verhevene, dit gemakkelijk heeft gemaakt.” Oftewel, je hebt over een gewichtige zaak gevraagd, namelijk het winnen van het Paradijs en het gered worden van de Hel. Waarschijnlijk wordt met ‘iets groots’ het volgende bedoeld: de daden die iemand naar het Paradijs leiden en die hem weghouden van de Hel.
    Hierna noemde de Profeet specifiek welke daden dit zijn, namelijk:
    “Je dient Allah te aanbidden.” Het aanbidden van Allah houdt in dat je Hem gehoorzaamt door Zijn geboden na te komen en Zijn verboden te vermijden dit alles met een oprechte intentie voor Hem.

    “Zonder Hem deelgenoten toe te kennen.” Zelfs geen nabije engel, noch een gezonden Profeet dienen als deelgenoten naast Allah geplaatst te worden. Tot de voorwaarden van het verrichten van een daad van aanbidding behoort immers het hebben van de zuivere intentie voor Allah alleen.

    Tot de daden die iemand naar het Paradijs leiden en hem weghouden van de Hel behoort het onderhouden van het gebed, aangezien de Profeet heeft gezegd: “(Je dient) het gebed te onderhouden.”

    Het onderhouden van het gebed houdt in dat je het volledig verricht, terwijl alle zuilen (Arkaan), verplichtingen (Waadjibaat), voorwaarden (Shoeroet) in acht worden genomen en dat je het vervolmaakt met zijn compleetheden (Moekammilaat).

    “(Je dient) de Zakaah (armenbelasting) te betalen.” Dit is een verplichting die Allah, de Verhevene, heeft opgelegd aan Zijn dienaren. Deze verplichting is verschuldigd over bepaalde bezittingen, dit indien aan bepaalde, in het algemeen bekende voorwaarden wordt voldaan. De Zakaah is men verschuldigd aan de mensen die daar recht op hebben. Dit alles wordt uitgelegd in de boeken van de geleerden.

    “(Je dient de maand) Ramadan te vasten.” Deze maand is bekend onder de mensen. Het vasten is een daad van aanbidding van Allah, de Verhevene. De dienaar onthoudt zich vanaf morgenschemering tot en met de zonsondergang van de zaken die het vasten verbreken (Moeftiraat).

    “(Je dient) de Haddj (de bedevaart) te verrichten.” Met andere woorden, men dient het Gewijde Huis, de Kabah, te bezoeken voor het verrichten van de riten van de bedevaart.

    Dat zijn overigens de vijf pilaren van de Islam, namelijk: “Je dient Allah te aanbidden zonder Hem deelgenoten toe te kennen, het gebed te onderhouden, de Zakaah (armenbelasting) te betalen, (de maand) Ramadan te vasten en de Haddj (het bedevaart) te verrichten.”

    De tweede getuigenis ‘Mohammed is de Boodschapper van Allah’ is inbegrepen in de eerste getuigenis ‘Niets of niemand heeft het recht aanbeden te worden, behalve Allah’ indien deze niet samen genoemd worden. Want de eerste getuigenis houdt namelijk in dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah. Tot het aanbidden van Allah behoort tevens het geloven in Zijn Boodschapper en het volgen van hem.

    Verder zei hij, de Profeet : “Zal ik jou de deuren naar het goede aanwijzen?” Dit wil zeggen, datgene waarmee je het goede kunt bereiken.

    Waarschijnlijk antwoordde Moeaadh ibnoe Djabal bevestigend, waarna de Profeet zei: “Het vasten is een schild.” Met andere woorden, het vasten dient als bescherming tegen het verrichten van zonden en het zal dienen als bescherming voor de vastende op de Dag der Opstanding.

    Vervolgens zei hij : “(het geven van) Liefdadigheid blust de zonden zoals water het vuur uitdooft.” Liefdadigheid is het uitgeven van de bezitting aan de arme en behoeftige met als doel het zoeken van toenadering tot Allah, maar ook tot de arme. Deze liefdadigheid dooft immers de zonde uit. Dit laatste houdt in datgene wat men aan fouten maakt door het nalaten van een verplichting of het verrichten van een verboden zaak.

    “Zoals water het vuur uitdooft.” Wij weten allen dat er niets meer overblijft van het vuur wanneer dit met water wordt uitgedoofd. Dit is ook het geval bij het geven van de liefdadigheid, het laat namelijk niets achter van de zonden.

    “En eveneens het gebed van een man in de holst van de nacht.” Met andere woorden, deze daad wist ook de zonde zoals water het vuur uitdooft. De beste nachtgebed is halverwege de nacht of het eenderde deel daarvan na de eerste helft van de nacht. De Profeet Daawoed die sliep tot halverwege de nacht en stond in gebed in het eenderde deel daarvan, en ging weer slapen in het eenzesde deel daarvan.

    Vervolgens reciteerde de Profeet :
    “Hun zijden mijden de slaapplaatsen, zij roepen hun Heer aan, vrezend en hopend. En zij geven uit van datgene waar Wij hen mee voorzagen. En geen ziel weet welke verkoeling van de ogen voor hen verborgen wordt gehouden, als beloning voor wat zij plachten te doen.” (Soerat as-Sadjdah: 16-17)

    Hij haalde dit vers aan als bewijsmiddel. In deze vers staat duidelijk dat hun zijden de slaapplaatsen mijden, dat wil zeggen: voor het verrichten van het gebed in de nacht. En zij geven uit van datgene waar Allah hun mee voorzag. Deze beiden zaken zijn de liefdadigheid en het nachtgebed die de Profeet beide in deze overlevering heeft vermeld.

    Verder zei hij: “Zal ik jou vertellen over de hoofdzaak, de zuil en het hoogtepunt hiervan.” Ik zei: “Jazeker, O Boodschapper van Allah.” Hij zei: “De hoofdzaak is de Islam.”

    De zaak wil zeggen iets met de allergrootste aanzien. Het hoofd ervan is de Islam, want de Islam verheft zich boven alles en niet andersom. Door de Islam verheft men zich boven de rest van de dienaren van Allah. De pilaar ervan, met andere woorden, de pilaar van de Islam is het gebed. De pilaar is datgene wat als basis voor iets functioneert en dient als steunzuil. Dat het gebed de pilaar is van de Islam is, komt vanwege het feit dat het verlaten ervan men van de Islam naar het ongeloof plaatst. Moge Allah ons daarvoor behoeden. Het hoogtepunt van de Islam is Djihaad op de Weg van Allah. Dat Djihaad op de Weg van Allah het hoogtepunt van de Islam is, komt vanwege het feit dat de moslims aan de hand hiervan hun vijanden van zich afhouden.

    “Zal ik jou vertellen hoe jij deze allemaal kan beheersen?” Met andere woorden, hoe men al deze genoemde zaken kan beheersen.

    Ik antwoordde: “Ja graag, O Boodschapper van Allah.” Hij pakte zij tong beet en zei: “Beheers deze.” Dat wil zeggen: laat deze tong niet te veel spreken, want het is gevaarlijk.

    Ik zei: “O Profeet van Allah, worden wij dan kwalijk genomen voor datgene wat wij uitspreken?” Hij zei: “Had je moeder jou maar verloren! Er wordt niet de betekenis van deze zin bedoeld, maar de bedoeling hierachter is om men aan het denken te zetten om datgene wat gezegd wordt.

    Hij zei: “Had je moeder jou maar verloren! Waardoor zouden de mensen anders op hun gezichten -of hij zei- op hun neuzen in het Hellevuur worden geworpen dan door de oogsten van hun tongen?” Het woord “of” in deze zin staat er omdat de overleveraar twijfelde of de Profeet nou “op hun gezichten” of “op hun neuzen” heeft gezegd.

    “..In het Hellevuur worden getuimeld dan door de oogsten van hun tongen?” Met andere woorden, wat hun tongen door middel van het gepraat hebben opgebracht. De betekenis hiervan is dat wanneer men zijn tong niet beheerst, dit ertoe leidt dat men op het gezicht in het Hellevuur getuimeld wordt. Moge Allah ons hiervoor behoeden.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · Het verlangen van de metgezellen naar daden die hen naar het Paradijs leiden en hen weghouden van de Hel. Dit was hun hoogste prioriteit. Daarom vroeg Moeaadh ibnoe Jabal de Profeet naar daden die hem naar het Paradijs leiden en van de Hel weggehouden.

    · De bevestiging van het bestaan van het Paradijs en de Hel. Deze zijn beiden momenteel aanwezig en zullen nooit vergaan.

    · De vraag van Moeaadh ibnoe Jabal is een gewichtige. Vandaar dat de Profeet zei: “Waarlijk, je hebt om iets groots gevraagd.” Met andere woorden, je hebt om een grote daad gevraagd vanwege de beloning die daaruit voortvloeit. Vervolgens maakte de Profeet duidelijk dat deze gewichtige zaak heel makkelijk en eenvoudig te realiseren is voor degene die door Allah hierin geholpen wordt. Hieruit leren wij dat men zich tot Allah, de Verhevene, moet wenden om Hem te vragen de zaken te vergemakkelijken en te vereenvoudigen. Bovendien dient men te weten dat het hebben van godsvrucht tot de middelen behoort die ervoor zorgen dat Allah iemands zaken vereenvoudigt. Dit op basis van de volgende uitspraak van Allah:

    “En wie godsvruchtig is, Allah zal zijn zaak vergemakkelijken.” (Soerat at-Talaaq: 4)

    · Het meest belangrijke en vooraanstaande aspect is het aanbidden van Allah alleen en het toegewijd zijn aan Hem, dit op basis van de uitspraak: “Je dient Allah te aanbidden zonder Hem deelgenoten toe te kennen.”

    · Het belang van het verrichten van het gebed, want de Profeet noemde het direct na toewijding. Indien iemand de volgende vraag stelt: “Waar blijft de tweede getuigenis, namelijk het getuigen dat Mohammed de Boodschapper is van Allah?” Daarop dient als volgt geantwoord te worden: “Dit is opgenomen in de volgende uitspraak van de Profeet : “Je dient Allah te aanbidden zonder Hem deelgenoten toe te kennen.” Dit heeft reeds eerder de revue gepasseerd.

    · De prioriteit van de armenbelasting boven het vasten vanwege het bekrachtigen hiervan.

    · De prioriteit van het vasten boven de bedevaart, vanwege het feit dat het vasten zich jaarlijks herhaalt. Dit in tegenstelling tot de bedevaart die slechts één keer in het leven verricht dient te worden.

    · De verwijzing in de volgende zin naar de vijf pilaren van de Islam: “Je dient Allah te aanbidden zonder Hem deelgenoten toe te kennen, het gebed te onderhouden, de Zakaah (armenbelasting) te betalen, (de maand) Ramadan te vasten en de Haddj (de bedevaart) te verrichten.”

    · Het voorleggen van een belangrijke kwestie aan een student op een inspirerende wijze. Dit op basis van de volgende uitspraak van de Profeet : “Zal ik jou de deuren naar het goede aanwijzen?”

    · Het goede is te bereiken via verschillende deuren die op hun beurt diverse ingangen hebben. Dit is enigszins te vergelijken met de volgende uitspraak van de Profeet : “Het geloof bestaat uit een zeventigtal onderdelen.”

    · “Het vasten is een schild.” Met andere woorden, het weerhoudt de vastende van nutteloos gepraat, vulgaire taal, valse getuigenissen, onwetendheid en het handelen hiernaar. Voor de vastende geldt het vasten tevens als een schild tegen de Hel. Dit op basis van de volgende Uitspraak van Allah, de Verhevene: “Het vasten is aan Mij en Ik geef hier de beloning voor.”

    · De deugd van liefdadigheid. Dit op basis van de volgende uitspraak van de Profeet : “(Het geven van) liefdadigheid blust de zonden zoals water het vuur uitdooft.”

    · Iemands gebed in de holst van de nacht doet de zonden uitwissen. Dit op basis van de volgende uitspraak van de Profeet : “(Het geven van) liefdadigheid blust de zonden zoals water het vuur uitdooft en eveneens het gebed van een man in de holst van de nacht.”

    · De Profeet haalde de Koran aan als bewijs, want hij reciteerde de volgende Woorden van Allah:

    “Hun zijden mijden de slaapplaatsen, zij roepen hun Heer aan, vrezend en hopend. En zij geven uit van datgene waar Wij hun mee voorzagen. En geen ziel weet welke verkoeling van de ogen voor hen verborgen wordt gehouden, als beloning voor wat zij plachten te doen. ” (Soerat as-Sadjdah: 16-17)

    · De Profeet legde de zaken in een vragende vorm voor om iemands aandacht te trekken voor datgene wat komen gaat.

    · De zaak, met andere woorden de kwestie van de schepselen bestaat uit een hoofdzaak, zuil en een hoogtepunt. De hoofdzaak is de Islam. Zijn zuil en hoogtepunt zijn respectievelijk het gebed en de Djihaad op de Weg van Allah.

    · De verlater van het gebed is een ongelovige. Dit op basis van de volgende uitspraak van de Profeet : “En de zuil ervan is het gebed.” ‘Ervan’ verwijst hier naar Islam. Het is over het algemeen bekend dat wanneer de pilaar bezwijkt, het gebouw instort.

    Deze uitspraak aangaande de verlater van het gebed is tevens de meest voornaamste. Dit op basis van bewijzen uit de Koran, de Soennah van de Profeet en uitspraken van de Metgezellen. Ook hebben wij dit duidelijk gemaakt in een verhandeling inzake deze kwestie.

    · Middels de Djihaad wordt de verhevenheid van de Islam gewaarborgd. De Profeet zei namelijk: “En het hoogtepunt hiervan is de Djihaad.”

    · Datgene waarmee men dit alles kan bereiken, is door de tong te beteugelen. Dit op basis van de volgende uitspraak van de Profeet : “Zal ik jou vertellen hoe jij dit allemaal kunt beheersen?” Ik zei: “Ja graag, O Boodschapper van Allah.” Hij pakte zij tong beet en zei: “Beheers dit.”

    · Het onderrichten middels gebaren vanwege het feit dat de Profeet zijn eigen tong beetpakte en zei: “Beheers dit.”

    · Het gevaar van de tong voor de mens, dit op basis van de volgende uitspraak van de Profeet : “Waardoor zouden de mensen anders op hun gezichten -of hij zei- op hun neuzen in het Hellevuur worden geworpen dan door de oogsten van hun tongen?”

    · Men dient voorzichtig te zijn inzake uitspraken van de Profeet . Vandaar dat de overleveraar zei: “Op hun gezichten – of hij zei – op hun neuzen.”

    Dit duidt op de volledige punctualiteit inzake het overdragen van overleveringen. En alle lof zij Allah.

    SCROLL_TEXT
  • HET IN ACHT NEMEN VAN DE VOORSCHRIFTEN EN GRENZEN VAN ALLAH

    Aboe Thalabah al-Khoeshani Joerthoem ibnoe Naashir overlevert dat de Boodschapper van Allah zei:

    “Waarlijk, Allah heeft (religieuze) plichten opgelegd, verwaarloos deze dan niet. En Hij heeft grenzen vastgelegd, overschrijdt deze dan niet. En Hij heeft bepaalde zaken verboden verklaard, schendt deze dan niet. En Hij heeft over bepaalde zaken gezwegen uit genade voor jullie en niet uit vergeetachtigheid, zoekt deze dan niet op.” (Een goede overlevering. Overgeleverd door ad-Daaraqoetni en anderen)

    Uitleg

    “Waarlijk, Allah heeft (religieuze) plichten opgelegd.” Met andere woorden, Allah, de Verhevene, heeft voor zijn dienaren absolute plichten opgelegd die in het algemeen bekend zijn, Allah zij dank, zoals de vijf dagelijkse gebeden, Zakaah (armenbelasting), het vasten, al-Haddj (bedevaart), het goed zijn voor de ouders en het onderhouden van de familiebanden en dergelijke.

    “Verwaarloos deze dan niet.” Met andere woorden, verwaarloos deze plichten niet door deze achterwege te laten, veronachtzamen, onderwaarderen of tekortkomingen hierin te vertonen.

    “Hij heeft grenzen bepaald.” Met andere woorden, Hij, de Verhevene, heeft religieuze plichten opgelegd met bepaalde voorwaarden en beperkingen. “Overschrijdt deze dan niet.”

    “Hij heeft bepaalde zaken verboden.” Hij, de Verhevene, heeft bepaalde zaken verboden, zoals Shirk (polytheïsme), slechte omgang met de ouders, het wederrechtelijk doden van een ziel die door Allah onschendbaar is verklaard, bedwelmende dranken, diefstal en vele andere zaken.

    “Schendt deze dan niet.” Nader deze grenzen niet. Het feit dat men deze overtreedt, houdt in dat hij deze heeft geschonden.

    “En Hij heeft over bepaalde zaken gezwegen.” Met andere woorden, specifieke zaken heeft Hij niet opgelegd, noch verboden.

    “Uit genadigheid voor jullie.” Vanuit Genade en vergemakkelijking voor jullie.

    “En niet uit vergeetachtigheid.” Allah, de Verhevene, vergeet nooit zoals Moesaa heeft gezegd:

    “Hij (Moesaa) zei:
    ,,De kennis over hen is bij mijn Heer, in een Boek. Mijn Heer maakt geen fouten en vergeet niet.” (Soerat Taa Haa: 52)

    Echter, Allah heeft deze zaken onbenoemd gelaten vanwege Zijn Genade jegens de schepselen en niet dat Hij deze is vergeten.

    “Zoekt deze dan niet op.” Met andere woorden, vraag er niet naar.

    Wat leert deze overlevering ons?

    · De goede manier van het verduidelijken door de Profeet, aangezien hij deze overlevering heeft aangehaald met zo’n voortreffelijke opsomming.
    · Allah, de Verhevene, heeft een aantal zaken met zekerheid voor zijn dienaren verplicht gemaakt. Verplichtingen zijn volgens de geleerden in twee categorieën onder te verdelen, namelijk Fard Kifaayah (verplichting die rust op een groep) en Fard Ayn (verplichting die rust op een individu).

    Wat betreft Fard Kifaayah, hierbij wordt de daad beoogd, afgezien van degene die deze daad moet verrichten. Het Islamitische wetoordeel hierover is als volgt: wanneer deze verplichting door een voldoende aantal mensen wordt verricht, komt deze voor de rest te vervallen. Wat betreft Fard Ayn, hierbij wordt zowel de daad als de verrichter ervan beoogd en is dus verplicht voor eenieder afzonderlijk.

    Voorbeelden van Fard Kifaayah zijn, de eerste en tweede oproep tot het gebed, het dodengebed en dergelijke.

    Voorbeelden van Fard Ayn zijn, de vijf dagelijkse gebeden, armenbelasting, het vasten (in de maand Ramadan) en de bedevaart.
    · Wat betreft de volgende uitspraak van de Profeet :
    “Hij heeft grenzen bepaald,” Hij, de Verhevene, heeft verplichtingen opgelegd met de nodige begrenzingen en voorwaarden.

    · Men moet de grenzen van Allah niet overschrijden. Hieruit vloeit voort dat het niet toegestaan is te overdrijven in de religie van Allah. Daarom keurde de Profeet de uitspraken af van degenen die zeiden:
    “Ik vast en eet niet.” De tweede (persoon) zei:
    “Ik verricht nachtgebed en slaap niet.” En de derde zei: “Ik trouw niet met vrouwen.” Toen zei de Profeet :
    “Wat mij betreft, ik bid en slaap (ook), vast en eet (ook) en trouw wel met vrouwen. Wie zich van mijn Soennah (levenswijze) afwendt, behoort niet tot mij.”

    · Het verbod op het schenden van de verboden zaken. Dit op basis van de volgende uitspraak: “Schendt deze dan niet.”

    De verboden zaken kunnen opgedeeld worden in twee categorieën: grote en kleine verboden. Wat betreft grote verboden zaken, het begaan ervan wordt alleen middels berouw vergeven. En de kleine verboden zaken worden kwijtgescholden door het gebed, verrichten van de bedevaart, gedenken van Allah en dergelijke.

    · Datgene waarover Allah, de Verhevene, heeft gezwegen valt onder Zijn Genade. Als wij moeite hebben om te achterhalen of iets verplicht is of niet en geen grond van verplichting hiervoor hebben, dan kunnen wij aannemen dat dit valt onder de Genade van Allah. En als wij twijfelen of iets verboden of toegestaan is, en geen verbod hiervoor kunnen vinden, dan valt dit ook onder de Genade van Allah.

    · Allah, de Verhevene, vrijwaren van vergeetachtigheid. Dit duidt op de compleetheid van Zijn kennis, want Allah heeft over alles kennis en vergeet niet datgene wat Hij kent. Noch is Zijn kennis voorafgegaan door enkele vorm van onwetendheid. Hij heeft eeuwig en voorgoed kennis over alles.

    · Het is niet gewenst om te veel te graven en te vragen, behalve als het nodig is. Dit was slechts van toepassing in de tijd van de Profeet , want dat was de tijd waarin de Voorschriften tot stand kwamen. Er werd gevreesd dat als iemand om iets zou vragen wat niet verplicht was dit wellicht verplicht zou worden gemaakt. Of dat iets wat toegestaan is, verboden zou worden verklaard ten gevolge van deze vraagstelling. Vandaar dat de Profeet het verboden heeft om te veel te graven naar deze zaken, zeggende: “Zoekt deze dan niet.”

    SCROLL_TEXT